Illustrator is geen kunstenaar

Vandaag begint de Kinderboekenweek. Dit jaar staat die in het teken van illustraties.

„Er is minder plek voor kunstzinnige boeken.”

Een vader leest in 1949 zijn kinderen voor uit het boek 'Okkie weet raad' van Leonard Roggeveen. Foto Spaarnestad Vader leest voor aan [zijn] kinderen, -twee jongetjes en twee meisjes, van wie 驮 op schoot zit-, uit het boek "Okkie weet raad" van Leonard Roggeveen. De meisjes (waarschijnlijk een tweeling) elk met een stoffen tweelingpop met porceleinen hoofd. De poppen hebben wel verschillende jurkje aan. Op tafel ligt een damesblad dat aandacht besteedt aan de geboorte van een "Engels prinsje". [1949]
Een vader leest in 1949 zijn kinderen voor uit het boek 'Okkie weet raad' van Leonard Roggeveen. Foto Spaarnestad Vader leest voor aan [zijn] kinderen, -twee jongetjes en twee meisjes, van wie 驮 op schoot zit-, uit het boek "Okkie weet raad" van Leonard Roggeveen. De meisjes (waarschijnlijk een tweeling) elk met een stoffen tweelingpop met porceleinen hoofd. De poppen hebben wel verschillende jurkje aan. Op tafel ligt een damesblad dat aandacht besteedt aan de geboorte van een "Engels prinsje". [1949] Spaarnestad

Het is een aardig spelletje voor iedereen die een warme herinnering heeft aan kinderboeken. Laat iemand de titel noemen van een klassiek boek voor kinderen en kijk wat het eerst voor je geestesoog verschijnt. De naam van de schrijver? Of de tekeningen? Wedden dat de illustraties als eerste oplichten in het hoofd? Illustraties zijn onlosmakelijk verbonden met het kinderboek en ze zijn in Nederland ook nog eens van heel hoge kwaliteit.

Toch heeft het vak van illustrator in Nederland weinig aanzien. Een illustrator verdient eenderde van wat een schrijver krijgt voor een kinderboek. In recensies van kinderboeken worden de tekeningen vaak afgedaan met een enkel zinnetje. Dubbeltalenten als Ted van Lieshout en Daan Remmerts de Vries zijn bekend als schrijvers die ook tekenen. Vrije kunstenaars laten zich nogal eens laatdunkend uit over illustratoren.

„De status van de tekenaar in het culturele veld is nog altijd marginaal”, schrijft Joukje Akveld in de inleiding van Tekenaars. Kinderboekenillustratoren geportretteerd. In dit schitterend vormgegeven en geïllustreerde boek komen negentien illustratoren aan het woord. Het past in de Kinderboekenweek die vandaag begint onder het motto De Grote TekenTentoonstelling – beeldtaal in kinderboeken.

Op het eerste gezicht is Nederland een droomland voor illustratoren: een rijke schilderstraditie, vooraanstaande vormgevers en hoogwaardig tekenonderwijs aan de kunstacademies. Veel uitgevers hebben een diepe liefde voor illustratoren, zoals Lemniscaat, dat Charlotte Dematons en het echtpaar Schubert liet doorbreken. Er zijn prachtige prijzen, met als mooiste de Max Velthuijs-prijs (60.000 euro), de P.C. Hooftprijs voor kinderboekillustraties.

Tegelijkertijd is in Nederland, met zijn calvinistische traditie, de status van het beeld veel lager dan die van het woord. „Nederland heeft geen beeldcultuur”, moppert illustrator Jan Jutte: „Zou het toeval zijn dat hier destijds al die beelden zijn stukgeslagen?” Vast niet. Op school leren kinderen wel eindeloos om teksten te ontleden, maar krijgen zij mondjesmaat kunstonderwijs. Strips genieten in Nederland nog lang niet zoveel aanzien als in Frankrijk en België.

De Nederlandse beeldcultuur is het afgelopen decennium verder uitgehold door de bestsellercultuur in de kinderboekenwereld. De ‘literaire’ boeken zijn uit zicht van het grote publiek geraakt, en daarmee de makers. „De tendens in Nederland is de laatste jaren commerciëler geworden”, zegt illustrator Philip Hopman in Tekenaars: „Er is minder plek voor kunstzinnige boeken.”

De tekenaars zijn ook nog onzichtbaar geworden op de buitenkant van het kinderboek. Het omslag was altijd een kroon op de illustraties, een meesterstuk waarvoor de tekenaar apart betaald kreeg. Tegenwoordig zetten uitgevers een foto op wat nu natuurlijk de ‘cover’ heet, omdat kinderen boeken met tekeningen niet zouden willen kopen. „Boeken zien er nu allemaal hetzelfde uit. Het is een eenduidige brij geworden waar weinig spannends in te ontdekken valt”, zegt Sieb Posthuma.

Nu is dat niet helemaal waar – vormgevers maken vaak spannende omslagen met foto’s – maar in essentie heeft Posthuma gelijk. Tekeningen benadrukken de eigenheid van een boek, suggereren een wereld die kinderen nog moeten ontdekken. Foto’s verwijzen juist naar de wereld die kinderen al kennen van televisie en internet, en bieden daarvan een hyperrealistisch concentraat. Foto-omslagen zijn de voetafdrukken van de realitysoap in de kinderboeken.

Hoewel de commercialisering een internationaal verschijnsel is, telt bijvoorbeeld Vlaanderen meer zichtbare en kunstzinnige illustratoren dan Nederland. Bekende namen zijn Carll Cneut, Gerda Dendooven, Ingrid Godon en Klaas Verplancke. Hun werk „getuigt van durf en heeft een hoog artistiek niveau”, zegt Hopman. Zo zijn de prenten van Carl Cneut in Het geheim van de keel van de nachtegaal (2008) een soort schilderijen die je zo thuis aan de muur kunt hangen.

Het artistieke succes van de Vlamingen komt volgens Hopman uit de geldpotten van de Vlaamse overheid: „Dankzij subsidies kunnen illustratoren zich hier ontwikkelen tot autonome kunstenaars.” Het lijkt er eerder op dat de illustratoren profiteren van de beeldcultuur in België, land met hooggewaardeerde stripkunst, de bloeiende cinema en de rijke erfenis van het surrealisme.

Dankzij de lobby van tekenaar-activist Ted van Lieshout kunnen Nederlandse illustratoren sinds kort trouwens ook subsidie krijgen van een kunstfonds. Het is alleen de vraag of dit op korte termijn leidt tot meer experimentele en kunstzinnige illustraties. Nederlandse tekenaars lijken te veel gevangen in hun dienende taak – het plaatje bij het praatje – om snel te kunnen uitgroeien tot meer autonome kunstenaars.

Voor de illustrator staat de vrije kunstenaar op een hoger plan. Dieter Schubert wilde ooit schilder worden, maar koos voor het vak van illustrator. Een vriend zei hem dat hij voortaan bij de fanfare zat „terwijl ik bij een symfonieorkest kon spelen”. Illustratoren benadrukken keer op keer dat zij geen kunstenaar zijn.

Maar hoezo eigenlijk niet? Ook gebonden kunstenaars kunnen binnen hun opdracht een eigen signatuur ontwikkelen en een hoge mate van artisticiteit bereiken. Dat tonen niet alleen de Vlamingen aan, maar ook Amerikanen als Saul Steinberg en William Steig.

Ook in Nederland kunnen meer illustratoren in zichzelf geheime deuren openen en hun vakmanschap opladen tot een kunstenaarsschap. Zo kunnen ze de ereplaats veroveren die ze al lang verdienen.

Joukje Akveld: Tekenaars. Kinderboekenillustratoren geportretteerd. Hoogland & Van Klaveren, 232 blz € 59,50 (geb.)