Hof spreekt Ina Post vrij van moord

Het gerechtshof in Den Bosch heeft vanochtend in een herzieningsprocedure de bejaardenverzorgster Ina Post alsnog vrijgesproken van moord.

De bekentenis die Ina post in 1986 aflegde over de moord op een bejaarde vrouw in het tehuis waar zij werkte, is achteraf onvoldoende betrouwbaar gebleken en deels te wijten aan haar psychische toestand. Het is na de vrijspraak van seriemoord van verpleegkundige Lucia de Berk de tweede gerechtelijke dwaling die dit jaar wordt rechtgezet.

De rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag veroordeelden Ina Post in 1986 en 1987 tot zes jaar cel, die ze inmiddels heeft uitgezeten. De Hoge Raad verwierp vier herzieningsverzoeken. Het hof Den Bosch oordeelt vanochtend dat de vrouw bij haar verhoren vatbaar voor suggestie is geweest, gevoelig was voor informatieverstrekking door anderen en mogelijk een acute stressstoornis heeft gehad. Daardoor is het „geenszins uitgesloten dat de verklaringen van [Post] tot stand zijn gekomen onder invloed van een bijzondere psychische toestand, waar de verhorende politieambtenaren onvoldoende op bedacht zijn geweest.”

Het hof denkt dat details uit de bekentenis die de politie van haar daderschap overtuigden in werkelijkheid zijn ontleend aan krantenberichten. Gebaseerd op informatie die de politie zelf gaf. Ook werd Post vóór haar bekentenis rondgeleid in het appartement van het slachtoffer. De rechters zijn ook kritisch over het feit dat haar bekentenis niet is gecontroleerd op tegenstrijdigheden met ander bewijsmateriaal. Er was onvoldoende steunbewijs. Ook constateert het hof dat na haar bekentenis het onderzoek vrijwil is stilgelegd. Op basis van nieuw schriftonderzoek vinden de rechters het niet meer aannemelijk dat Ina Post gestolen cheques van het slachtoffer zou hebben verzilverd. Er is geen ontlastend materiaal uit het dossier gehouden.

De zaak is herzien op advies van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken van het OM. In 2009 wees de Hoge Raad het vijfde herzieningsverzoek van advocaat Knoops toe. Het commissielid Tineke Cleiren omschreef de zaak in deze krant aldus: „Het bewijs bestond kort samengevat uit een lijk, het feit dat de verdachte op de dag van het overlijden daar werkte en het feit dat ze bekende.”