Goud vergaat niet

Op een gegeven moment was er op tv regelmatig een verontrustende reclame te zien: die van Postal Gold. Een soort autoverkoper in een fris overhemd spoort de kijker aan om „goud dat u niet meer nodig hebt” in een envelop te doen en op te sturen. Vervolgens zal binnen 24 uur het getaxeerde bedrag op

Op een gegeven moment was er op tv regelmatig een verontrustende reclame te zien: die van Postal Gold. Een soort autoverkoper in een fris overhemd spoort de kijker aan om „goud dat u niet meer nodig hebt” in een envelop te doen en op te sturen. Vervolgens zal binnen 24 uur het getaxeerde bedrag op je rekening worden gestort.

„Postal Gold stuurde me 450 euro”, zegt een jonge vrouw braaf in de camera. „Dat was echt fantastisch.” Of ze daar dan de antieke saffieren tiara van haar overleden overgrootmoeder voor heeft moeten verpatsen, vertelt ze er niet bij.

Ik ken niemand die zijn overtollige goud (alsof bij de meeste huishoudens de enkelbandjes in de groentela slingeren) in een envelop heeft gekieperd en die aan Postal Gold heeft opgestuurd. Ik hoor juist het omgekeerde: mensen zijn zuinig op hun goud. Een kennis kwam laatst met een hoogst opmerkelijke mededeling: „Ik heb een goudbaar gekocht.” Ze zei het ernstig. „Een… goudbaar?” vroeg ik. Ik moest nog even wennen aan het feit dat het woord ‘goudbaar’ opeens geruisloos tot onze vocabulaire was gaan behoren. Ze knikte. „Ik heb hem gekocht op de goudsite van Willem Middelkoop. Dat is de man die de kredietcrisis heeft voorspeld. En de val van de dollar. Hij zegt dat goud een goede investering is: de goudprijs is nog nooit zo snel gestegen als de laatste tijd.”

Ik vond het een enigszins wonderlijk gesprek. Mensen die op eigen houtje baren goud kochten? En in hun huis bewaarden? ‘Dat is mijn cd-rek, dat is een zelfgemaakte vaas, daar ligt mijn baar goud, dat is een stapel tijdschriften…’ Hiervoor kende ik maar één persoon die bewust goud kocht, en dat was iemand die leed aan ouderwetse goudkoorts. Elk jaar spaarde hij geld door voornamelijk te overleven op vissticks en witte bonen, en aan het eind van het jaar kocht hij een blokje goud van 100 gram. Vervolgens ging hij er mee naar supermarkten om te zien of de weegschalen wel correct afgesteld stonden.

Maar dit was geen eksterachtige goudminnarij. Dit was angst. „Misschien komt het wel niet meer goed met de economie”, zei ze. „Misschien komt er verschrikkelijke inflatie. Mensen die met hutkoffers vol euro’s een brood proberen te kopen. Goud vergaat niet. Heel veel van mijn vrienden hebben goud gekocht. Het verzekert je toekomst.” Ik probeerde voor me te zien hoe zij, in een wereld van ingestorte economie en rondfladderende, waardeloze geldbriefjes, een flinter van haar goudbaar probeerde af te hakken voor tien zakken afbakfrietjes. Het was een raar beeld. Ongeveer net zo raar als de goudbaar in de huiskamer.

„Waar bewaar je hem eigenlijk?” zei ik. „Gewoon”, zei ze, en ze keek me even snel aan. „In huis. Ergens.”