De kriebels van kunst

Twee jaar nadat het vierde kabinet-Balkenende juist 50 miljoen euro extra had uitgetrokken voor investeringen in kunst en cultuur, kondigen de coalitiepartners in het nieuwe kabinet-Rutte aan 200 miljoen te willen bezuinigen op de rijkskunstbegroting. Er wordt vooral gemikt op beeldende kunst, muziek en theater. Deze korting zou neerkomen op een halvering van hun subsidies. De kunstenaars en instellingen reageren unaniem „verbijsterd” op de plannen. Het onaantastbaar gerenommeerde Concertgebouw voorziet dat het „de tent” dicht zal moeten gooien. Het is de enige niet.

De aangekondigde bezuiniging geeft blijk van dedain. Zij veegt alle kunsten, met uitzondering van de braaf archiverende, opzij als onzin. Wie zijn tijd wil verdoen in museum of schouwburg moet het zelf maar weten – zoiets. Van het al eeuwen bewezen belang van kunst voor maatschappij en cultuur willen de coalitiepartners niet weten.

Het defensieve fatalisme van de kunstsector is begrijpelijk, maar weinig creatief. De kunstwereld zou zich ook aangespoord kunnen voelen om te bedenken wat dit voorstel (want meer is het nog niet) vertelt: de ergernis over de kunstfinanciering is blijkbaar zo gegroeid dat een buitensporig bezuinigingsvoorstel alleen in eigen kring weerstand wekt.

De kunstenaars en bedreigde instellingen moeten een strategie ontwerpen om de mensen aan te spreken die hen beschuldigen van hobbyisme en egomane flauwekul. Hun afwezigheid is immers eeuwig zonde. Zo is het voor hen onbestaanbaar dat de film Joy het Gouden Kalf voor de beste film won, terwijl hij maar enkele duizenden bezoekers trok. Die film is geschikt voor een publiek dat nu niet weet wat het miste.

Hoe creatief het kan, bewees onlangs de acteur Gijs Scholten van Aschat. Hij speelt Shakespeares Richard III, geen makkelijk toneelstuk, in de Amsterdamse Stadsschouwburg – door nogal wat mensen beschouwd als een elitaire burcht. Maar het lukte hem om binnen de kortste keren alle kaarten verkocht te krijgen. Hij had mazzel en uiteraard is zijn actie niet zomaar te kopiëren. Wel is het een inspiratie voor de kracht van hartstochtoverdracht. ‘Henk en Ingrid’ zijn misschien moeilijk in beweging te krijgen. Maar het komt voor dat zelfs zij de kriebels krijgen en niet weten hoe snel ze erbij moeten zijn.

Dat Richard III desondanks niet uit de kosten zal komen, bewijst dat zelfs goede kunst niet zonder subsidie kan. Het publiek dat geniet, snapt heus wel dat artistieke brille geld kost. Voor een avond naar een musical of een popconcert rekent het immers veel grotere bedragen af.

Tegelijk zou de sector van de politiek een subsidiesysteem moeten afdwingen dat kunstenaars meer uitdaagt dan het oordeel van subsidiecommissies vol specialisten en gelijkgestemden. Niet om de knorrepotten naar de mond te praten. Wel om bredere lagen van de bevolking te bereiken dan nu. Kunst moet het hebben van vernieuwing en vernieuwing speelt zich af in kleine kring. Maar het publiek verdient het dat die kunst rijpt en doorsijpelt.