Communistische koe is er voor melk

In Cuba wil het communistische regime met particulier initiatief de landbouw uit het slop trekken. Veel merken de boeren daar nog niet van.

Pedro is de Cubaanse boer van de toekomst. Met zijn twintig jaar jongere vrouw en hun twee dochtertjes woont de gespierde vijftiger op eigen grond in een huis van steen. Middenin het communistische Cuba is hij een particuliere boer, altijd geweest. Naast het huis graast in het hoge gras de enige koe van het gezin. De melk is voor henzelf en voor hun drie varkens, die even verderop scharrelen in een reepje modder. Daarachter begint hun tabaksplantage.

Om de landbouwproductie te verhogen, is de Cubaanse president Raúl Castro bezig het aantal particuliere boeren drastisch uit te breiden. Cuba moet nu meer dan 80 procent van zijn voedsel importeren, ook basisproducten als rijst en bonen die het land makkelijk zelf zou moeten kunnen verbouwen. Particuliere boerderijen en coöperaties zijn effectiever dan de staatsboerderijen. Hoewel ze maar een vijfde deel van de landbouwgrond bebouwen, leveren ze 60 procent van de rijst die het land nodig heeft, 65 procent van de melk en 80 procent van het graan en de bonen.

Vandaar dat Raúl, zoals hij kortweg wordt genoemd, vorig jaar een miljoen hectare braakliggende landbouwgrond voor tien jaar in bruikleen gaf aan 110.000 particuliere boeren en 1.715 particuliere coöperaties. Bovendien verhoogde hij de staatsprijzen voor gewassen en stond hij boeren toe zelf zaden en gereedschap aan te schaffen en meer voor zichzelf te produceren.

Maar het vrije ondernemerschap van een boer als Pedro wordt nog aan alle kanten beknot. Op zijn eigen grond mag hij niets anders dan tabak verbouwen. Hij moet de volledige oogst verkopen aan de staat. Zijn koe mag hij melken, maar niet slachten. Daarop staat vijf jaar gevangenisstraf. Een communistische koe is er voor de melk.

Er staat enige subsidie tegenover: hij kan vee kopen tegen de lage staatsprijzen. En het zaad voor zijn tabaksplanten krijgt hij voor niets. Maar zijn grootste prikkel om hard te werken is illegaal: hij houdt het beste deel van zijn tabaksoogst achter en draait er zelf sigaren van. Die verkoopt hij zwart aan passerende toeristen.

Dat staatsboerderijen niet per se de grootste oogsten opleveren, ziet het Cubaanse regime al langer in. In de jaren negentig was er een experiment om staatscoöperaties om te zetten in particuliere. Dat mislukte, ook alweer omdat de regering de touwtjes niet echt uit handen gaf: zij bepaalde welke gewassen moesten worden verbouwd, welke prijzen die kregen, waar ze mochten worden verkocht. En maar al te vaak voorzag zij niet in de benodigde kunstmest en machines, noch in gereedschap en vervoer.

Op een staatscoöperatie in het vruchtbare westen van Cuba scharrelen varkens rond onder dikbuikige palmen, waarvan het blad gebruikt wordt om daken van te maken. Een man op een paardenkar rijdt over een zandweg met melk die hij heeft opgehaald bij boeren. Hij leegt de melkbus op het ‘melkstation’, een kleine ruimte in een van de gebouwtjes op het terrein, en rijdt verder naar de volgende boer.

Volgens de personeelschef, een gezette vrouw met een paardenstaart, hebben 202 kleine boeren een contract met deze „winstgevende” coöperatie. Ze verbouwen twintig verschillende gewassen zoals maïs, yuca, tabak, rijst, bonen en zoete aardappels. Wat ze boven de quota van het jaarplan produceren, is voor henzelf.

De boeren worden hier nog met ouderwetse retoriek opgezweept tot presteren. ‘De patriottische plicht nummer 1 van de boer is produceren voor het volk’, staat op de muur van de vergaderruimte, een raamloze zaal waar de warme wind doorheen waait. Was getekend: Fidel. Op een rasterhek hangen verbleekte bordjes met de handgeschreven woorden ‘Het vaderland of de dood’.

Toch merkt de coöperatie wel iets van de vernieuwingen, zegt de personeelschef. Sinds twee maanden heeft de staat meer ‘kiosken’ in de omgeving geplaatst, stalletjes waar boeren hun deel van de productie kunnen verkopen. Ze mogen daar hogere prijzen vragen dan die de staat betaalt.

Kiosken bestaan al sinds de revolutie (1959), maar de uitbreiding lijkt bedoeld om de productie op te schroeven. De personeelschef legt het echter uit als een nieuwe service aan het volk. Zodat de mensen niet zo ver meer hoeven te lopen voor hun groente en fruit.

Op een verharde weg door een landbouwgebied is het druk met paardenkarren, motoren met zijspan, oldtimers, stinkende vrachtwagens, zwaar beladen fietsen met zakken vol groente of fruit, lopende mensen met parasols en een enkele tractor. Langs deze weg staat de kiosk waar Iría, een weduwe van middelbare leeftijd, spinazie, kleine courgettes en groene bonen verkoopt. Een pond spinazie kost 3 pesos, ongeveer 10 eurocent. Op de akker achter haar zijn drie mannen aan het werk. Een van hen brengt af en toe weer twee handenvol groente. Iría krijgt geen salaris. Ze leeft van een klein pensioen en van wat ze hier verdient.

In een andere kiosk, 200 kilometer verderop, vent Alberto (49) verse ananassen, grapefruits en kokosnoten. Zijn ogen zwemmen een beetje. Achter hem ligt een fles rum.

Alberto, vader van twee dochters, mag de opbrengst van wat hij verkoopt niet zelf houden. Die gaat in de grote coöperatiepot. Wel ontvangt hij een basissalaris van 200 pesos, ongeveer 6 euro per maand. Dat is in Cuba ongeveer de prijs van een fles bakolie. Als hij geen klanten heeft, werkt hij onder de hete zon op de omringende akkers met onder meer bonen, zoete aardappels, maïs, koffie, tabak en pinda’s.

Alberto heeft tot nu toe weinig van enige verandering gemerkt. Ja, de staat heeft de tabaksprijs wat verhoogd. Maar die prijs hangt af van de kwaliteit. En die is op zijn coöperatie, geteisterd door plantenziekten, niet zo hoog. „Al is het goed te roken hoor”, zegt hij. „Ik rook het zelf ook.”

Van de huidige president verwacht Alberto niets. Zijn houding is die van ‘vroeger was alles beter’. Zijn vader onderhield een gezin met zestien kinderen, vertelt hij, van wie hij de jongste was. Toch was het leven toen makkelijker dan nu. „Een peso was een peso. Je ging naar de winkel en je kon er iets mee kopen.”

‘Vroeger’ eindigde voor hem begin jaren negentig, toen Rusland zijn financiële steun aan Cuba introk, wat het land in een crisis stortte waarvan het nooit helemaal is hersteld. En ‘vroeger’ was onder Fidel. „Dat was een man van het volk, hij hield van het volk.”

De landbouwhervormingen van Fidels opvolger en broer Raúl hebben nog geen meetbaar succes. Volgens het Cubaanse bureau voor de statistiek is de productie in de eerste helft van dit jaar zelfs fors gedaald; rijst met 1,7 procent, groenten met 21,7 procent en bonen met 27 procent. De suikeroogst, die al jaren terugloopt, was de slechtste in honderd jaar.

Een probleem is het tekort aan kunstmest en insecticiden, waarvan de autoriteiten het Amerikaanse handelsembargo de schuld geven. Een ander probleem is het tekort aan boeren. De vele hoogopgeleide Cubanen – de universiteit is gratis – voelen weinig meer voor het zware werk op het land. De regering wil het tekort aanvullen uit de 500.000 mensen die de komende maanden in het kader van economische hervormingen uit staatsdienst worden ontslagen – een ingrijpende carrièreswitch voor obers, postbodes en bankemployés.

De bonenoogst van het echtpaar Yudith en José was mager dit jaar. Dat komt door de droogte, legt Yudith uit in haar huisje van golfplaat en hout. Ze kunnen niet irrigeren, er is geen brandstof voor de sproeier.

Yudith en José bebouwen een klein lapje grond van een coöperatie. De helft van wat ze oogsten gaat naar de staat, de andere helft is voor eigen gebruik. „Het is hard werken”, zegt Yudith, die bij alles wat ze zegt pretlichtjes in haar ogen heeft, ongeacht de inhoud. „En aan het eind van de maand … niets.”

Zij en haar man zouden graag meer grond willen bebouwen, zeker nu hun oudste zoon van zestien meehelpt op het land. Hij moet eigenlijk nog naar school, maar heeft een hekel aan leren. Meer grond zit er echter voor hen niet in, zegt Yudith. Die heeft hun coöperatie niet. En over uitbreidingsplannen heeft ze nog niets gehoord.