Altijd onder één dak met kinderen

Het internaatssysteem is de belangrijkste oorzaak voor het misbruik in de RK-Kerk, concludeert Joep Dohmen in Vrome zondaars.

Seksueel misbruik was een structureel probleem in katholieke jongensinternaten, blijkt uit 423 getuigenissen die deze krant en de Wereldomroep afgelopen half jaar ontvingen. In zeker de helft van de honderd katholieke kostscholen die Nederland eind jaren vijftig telde, zijn jongens misbruikt.

Jongens van elf, twaalf jaar werden uit hun gezin gehaald en nog vóór de pubertijd toevertrouwd aan hun opvoeders: priesters, broeders of fraters. Kostscholen, gestichten, tehuizen en andere katholieke internaten waren in zichzelf gekeerde, afgesloten gemeenschappen. Vaak omgeven door muren. De post werd gecensureerd. Leerlingen mochten maar een paar keer per jaar naar huis. In die geïsoleerde wereld leefden priesters en religieuzen dag in dag uit onder één dak met kinderen en pubers. De andere sekse ontbrak.

Dit internaatssysteem is de belangrijkste oorzaak van het wijdverbreide misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Het systeem ontstond in het midden van de negentiende eeuw, als onderdeel van de katholieke emancipatie. Het had ruim honderd jaar gefunctioneerd voordat het midden vorige eeuw verdween.

Niet alleen de leerlingen maar ook hun opvoeders waren op twaalfjarige leeftijd in het systeem ‘opgesloten’. Zonder seksuele voorlichting. Volgens de kloosterlijke tucht diende elke lichamelijkheid onderdrukt te worden. De kans was groot dat ze bijgevolg emotioneel en seksueel nooit volwassen werden. Juist deze mannen waren belast met de opvoeding van kinderen en pubers.

Het Southdown Institute, een psychiatrische inrichting ten noorden van de Canadese stad Toronto, behandelde jarenlang pedofiele priesters uit verschillende landen. Het publiceerde in 1997 een onderzoek waaruit bleek dat de seksuele en emotionele ontwikkeling van pedofiele priesters was blijven steken op het niveau van een adolescent. Daardoor vonden zij intieme omgang met volwassenen bedreigend en richtten hun lustgevoelens liever op kinderen. Ze waren veelal opgegroeid in de gesloten mannenwereld waarin seksualiteit werd weggestopt, maar desalniettemin volop aanwezig was.

Ook uit de getuigenissen die deze krant ontving, blijkt hoe verwrongen en kinderlijk de seksuele beleving bij veel daders was. Broeders en fraters kwamen soms al klaar bij het in pij aanrijden tegen een jongenslijfje. Het waren mannen die in hun jeugd aandacht hadden gemist, maar wel een strenge opvoeding kregen met veel seksuele verboden en taboes.

Ook ‘opvoeders’ zelf waren tijdens hun opleiding misbruikt. Van de 423 getuigenissen waren er 50 van mannen die als jongen misbruikt waren tijdens hun opleiding tot priester of broeder.

De publiciteit over het kerkelijk misbruik deed eerder dit jaar de discussie over het celibaat opleven. De verplichte seksuele onthouding en het niet mogen trouwen zouden de bron van alle kwaad zijn: geestelijken konden hun seksualiteit niet kwijt, wat leidde tot excessen.

Maar is het celibaat de hoofdoorzaak van het misbruik? Het is aannemelijk dat het met veel latere misbruikers al misging voordat ze priester of broeder werden en de gelofte van zuiverheid aflegden. In het internaatssysteem raakten daders als puber al seksueel verwrongen. Vervolgens bood datzelfde systeem hun volop kansen pedofiele contacten te onderhouden met de jongens die zij 24 uur per dag onder hun hoede hadden.

Over internaten op algemene of protestantse grondslag kwamen nauwelijks meldingen binnen. Natuurlijk waren er veel meer katholieke internaten, maar dat verklaart niet alles. Interessant is het daarom de verschillen tussen beide systemen te bekijken. Het katholieke systeem was geslotener. Bij katholieke internaten lagen school, internaat en klooster doorgaans op één afgesloten terrein. Protestantse en algemene internaten boden leerlingen meer vrijheid en ruimte. Leerlingen gingen meestal naar een school buiten het internaat. Ook mochten leerlingen frequenter naar huis. Een verschil was ook dat in protestantse en algemene internaten priesters, broeders of zusters ontbraken.

Er zijn nog andere oorzaken van het omvangrijke kerkelijke misbruik. Zoals het aannamebeleid van de ordes en congregaties. Op de slaapzalen en refters liepen paters en broeders rond die daar nooit hadden mogen rondlopen. Ze waren niet geschikt. Een voorbeeld is broeder Clemens, een psychopaat die in de jaren vijftig in pensionaat Eikenburg in Eindhoven zijn gang kon gaan voordat hij naar een ‘krankzinnigengesticht’ aan de kust werd afgevoerd.

Door de onstuimige groei van de katholieke zuil was begin vorige eeuw zóveel werk te doen, dat kwantiteit decennialang belangrijker was dan kwaliteit van het ‘kerkpersoneel’. Pas in de jaren zestig, zeventig werd het gebruikelijk kandidaat-intreders psychologisch te testen. Daarbij werd naar IQ en emotionele stabiliteit gekeken. Maar juist toen gingen de meeste internaten dicht.

Strenge sancties waren er niet. Een paar maanden bij de nonnetjes, meer straf was er niet voor een misbruiker. Of anders was er wel een overplaatsing, waarna de betrokkene vaak ongehinderd kon doorgaan. Bang voor publiciteit of justitiële vervolging hoefde een dader niet te zijn. Ouders wilden zichzelf en hun kinderen niet publiekelijk te schande zetten. Justitie en politie waren, als ze al gewaarschuwd werden, meer dan eens bereid de Kerk zulke precaire zaken zelf te laten afhandelen. De Kerk stond op een voetstuk – bij ouders én katholieke magistraten.

En dan is er nog een aspect dat het gedrag van daders mee bepaalde: hun katholieke geloof bood altijd een uitweg. Zonden waren er immers om vergeven te worden.

Het boek Vrome zondaars. Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk verschijnt vandaag bij NRC Boeken.