Muzikanten toen waren opgewekte padvinders

Belten, power en drive, Henny Vrienten leerde het zijn acteurs allemaal af.

„De kracht moest eruit, jarenvijftigzang is zoetgevooisd en klein.”

Zo moest het klinken: alsof er maar één microfoon is, met de zangeres er vlak voor en het orkest op klank gepositioneerd; de strijkers dichtbij haar, drums en koper soms meters verderop. „Dat zie je op jarenvijftigfoto’s van bijvoorbeeld het Metropole Orkest”, zegt Henny Vrienten, „het orkest verspreid over een enorme ruimte, om met die ene microfoon de juiste klank te creëren. Dat geluid herken je meteen.” Maar de hedendaagse musicalrealiteit is anders: „Alles is versterkt en in een orkestbak is niet zo veel plek.”

Vrienten schreef de muziek voor de nieuwe musical Petticoat, die zich afspeelt in 1959, en wilde het geluid van de jaren vijftig zoveel mogelijk benaderen. Dat deed hij met instrumenten van toen – een Fender VI-basgitaar, een Hofner uit 1954, „martelwerktuigen, volgens gitaristen nu”. En met een andere manier van spelen en zingen: „Vanuit de schouders, niet vanuit het middenrif en niet vol power en overgave, maar ingetogen en opgewekt.”

Voor aanvang van het repetitieproces maakte hij voor cast en orkest een cd met de titel Zing met ons mee, zomaar een uurtje radio uit 1959, met daarop Nederlandse en Amerikaanse liedjes uit die tijd, zoals Pat Ballards ‘Mr. Sandman’.

„Ik ben bij deze productie de enige die de jaren vijftig daadwerkelijk heeft meegemaakt. In 1959 was ik elf en ik absorbeerde alle muziek: Andrew Sisters, Cliff Richard, Elvis, Rosemary Clooney, Doris Day. Ik heb een zwak voor het amusement uit die tijd, het optimisme ervan en de naïviteit. Er was geen cynisme, geen ironie. Vergeleken met nu lijkt het wel de Middeleeuwen: samen luisteren naar die ene bakelieten radio, naar Moeders wil is wet en Het klokje van zeven uur en dus... De radio was een autoriteit en die verkondigde één boodschap: alles is goed en u kunt rustig slapen.”

Met zijn cd wilde de componist cast en orkest doordringen van die andere tijd, „van dat betuttelende, die spruitjesgeur”. Zijn collega’s waren „verbijsterd”, zegt hij. „Sindsdien ben ik obsessief bezig geweest dat geluid van toen te benaderen.”

Vrienten struinde obscure muziekwinkels af voor oude instrumenten en liet ze soms uit de Verenigde Staten overkomen. Hij luisterde al zijn oude platen en had zelfs profijt van zijn eerste gitaarlessen op zijn elfde. „Veel liedjes uit de musical zijn gebaseerd op akkoordenschema’s die ik toen leerde.”

Vibrafoon en contrabas moesten bespeeld op een fiftiesmanier: „De vibrafoon dichtgesmeerd met een soort walm en de bas die klinkt als ‘ploem’. In hedendaagse popmuziek overheerst de bas, maar destijds was de bas een dotje, een toef.”

Ook de zang moest aangepast; de zangeressen oefenden een jaar lang elke week om naadloos close harmony te zingen.

Vrienten: „De kracht moest eruit, jarenvijftigzang is zoetgevooisd en klein. Dat echte, harde musicalzingen, het belten, heb ik verboden. Muzikanten toen waren opgewekte padvinders. Hedendaagse artiesten zijn zo anders muzikaal opgevoed; alles gaat nu om skill en power en drive. Dat heb ik ze moeten afleren. Ik heb ze uit de 21ste eeuw gehaald.”

Na de band Doe Maar en een loopbaan als componist van filmmuziek is Petticoat Vrientens tweede grote musicalproductie – de eerste was Ciske de Rat in 2008.

Net als toen zijn de teksten van André Breedland en is de regie in handen van Paul Eenens. Dat was een belangrijke reden voor Vrienten om weer mee te doen. „Petticoat is een komedie en ik heb eigenlijk niets met blijspelen, nooit gehad. Ik heb stevige melancholieke ankers. Filmmuziek is altijd in mineur en ook in mijn popliedjes zit altijd een tragische ondertoon.

„Maar met André Breedland heb ik een punt bereikt waar ik nog niet eerder was: in plaats van liedjes van drie minuten nu een lied van twee uur te kunnen schrijven. Dat is het verschil tussen musical en popmuziek: alle nummers moeten hier deel uitmaken van die ene lyrische boog. Elke noot ondersteunt het verhaal. Daar moet je bijvoorbeeld ook de nummers van het kortaangebonden, knauwende personage inpassen.”

Een andere reden was de wereld van de musical. „Er is veel aan musical dat me boeit. Er wordt een verhaal verteld, weliswaar zonder veel lagen, maar met een verbluffende logica, structuur, precisie en oog voor detail. Alles klopt. Ik kwam natuurlijk uit de bandjeswereld, dat is afzien. Vier zwetende mannen in een repetitielokaal. Filmmuziek maak je grotendeels alleen. Maar musical, dat is een industrie. Ik herinnerde me bij een repetitie voor Petticoat plots dat de radio vroeger zo’n groen licht had. Dat vonden wij toen het toppunt van moderniteit, daar zaten we met z’n allen naar te kijken. Bij zo’n productie schrijft iemand dat dan op en de volgende dag heeft de radio een groen licht. Het is een machine.”

En de derde, misschien wel belangrijkste reden: „West Side Story, Sound of Music, Sunset Boulevard, alles van Leonard Bernstein – dat is muziek die ik altijd goed heb gevonden. Musical kan ontzettend mooi zijn. Ik zou graag ooit nog een opera willen maken; opera is de krachtmeting van de disciplines. Maar musical, dat is de joint venture.”