Kriebelbeestjes met schutkleur

NRC / De Kleine Wetenschap
NRC / De Kleine Wetenschap

Het heeft voordelen om een zeepaard te zijn. Zeepaarden hebben bijvoorbeeld niet gauw last van kriebelbeestjes op hun kop. Je weet wel, die brutale beestjes met zes pootjes en maar een paar millimeter groot. Beestjes die van jóúw hoofd zomaar hún huis maken. Hoofdluizen.

Toch hebben mensen met hoofdluizen nog geluk. Bij vogels kruipen de luizen namelijk overal tussen hun veren: niet alleen op hun kop, maar ook op hun rug, hun buik, hun vleugels. Ze verstoppen hun eitjes in de schacht van de veren, of diep tussen het donsveer. En als de luizen uit het ei gekropen zijn, voeden ze zich met huidschilfers, hapjes veer en soms zelfs met vogelbloed.

Het is voor de vogels een hoop gedoe om de luizen weg te werken. Luizenkammen en luizenshampoo hebben ze natuurlijk niet. Vogels gebruiken hun snavel: pik, weg luis!

Maar daar hebben luizen natuurlijk weer iets op gevonden: een schutkleur. Dat zagen Amerikaanse biologen. Zij hielden de veren van 26 vogelparen onder hun loep. Elk paar bestond uit een lichte en een donkere vogel. Een witte zwaan en een zwarte zwaan bijvoorbeeld.

Tussen de donkere veren vonden de biologen telkens bruine luizen. Hadden de vogels een licht verenkleed, dan waren ook de luizen roomwit.

Die schutkleur maakt het voor vogels extra lastig om de luizen tussen hun veren te vinden. En de luizen voelen zich juist extra veilig.

Op één plek voelen luizen zich ook zonder schutkleur op hun gemak. Omdat een vogel daar met zijn snavel toch niet bij kan. Je raadt het al: op de vogelkop.

Daar zitten de luizen hoog en droog. Ze zijn er allemaal bruin, zagen de biologen. Die kleur beschermt ze waarschijnlijk tegen zonneschijn, want die vang je op een vogelkop wel veel meer.

Margriet van der Heijden