Downsyndroom

In 1999 raak ik voor de tweede keer zwanger. Ik moet een echo laten maken om de zwangerschapsduur vast te stellen. Pas na 16 weken beland ik bij een echobureau. De echoscopiste is bijna klaar als ze zegt: „Ik zie iets wat niet goed is.” Ze verwijst ons door naar het VU-ziekenhuis. Een uitgebreide echo toont aan dat ons kindje mogelijk niet levensvatbaar is. Een vruchtwaterpunctie kan meer duidelijkheid geven. Exact drie weken later krijgen we de uitslag: ons zoontje heeft het Down-syndroom. Ik kan alleen maar huilen. Ik ben net 32 en heb een gezonde zoon. Dit kan toch niet waar zijn! De volgende dag vertelt de gynaecologe ons over het Down-syndroom, maar ze zegt erbij dat er met ons zoontje waarschijnlijk veel meer aan de hand is. Later in de zwangerschap (na 24 weken) is er op echo’s veel meer te zien. Wij weten het niet meer. We bellen met de Stichting Downsyndroom en lezen alles wat we erover kunnen vinden. We komen er niet uit. De zwangerschap afbreken lijkt rationeel de beste beslissing, ook voor onze andere zoon, maar emotioneel totaal niet.

Uiteindelijk beslissen we toch. Begin oktober wordt onze zoon na 19 weken geboren. In de maanden erna blijf ik me erg schuldig voelen. Wie ben ik om een leven te beëindigen? Ik ken geen andere mensen die dit is overkomen en daarom besluit ik in een lotgenotengroep op te richten, die via internet hulp biedt.

April 2001 word ik gevraagd voor een interview over zwangerschapsafbreking in de NRC. Eigenlijk wil ik niet, maar uiteindelijk stem ik toch toe. Ik krijg veel reacties op het stuk. Mensen vinden het dapper dat ik er zo openlijk over praat.

We zijn elf jaar verder en er wordt nu openlijker gesproken over het afbreken van een zwangerschap. Ook is er meer aandacht voor de rouwverwerking. Ik ben er trots op dat ik dat min de NRC heb bereikt. Zo heb ik de dood van Jaïr toch nog zin kunnen geven. Vandaag, 2 oktober 2010, is het precies elf jaar geleden dat hij werd geboren.

Esther Storm, Hilversum, sczb.nl