Cirkels en kraters 2

Wetenschapsbijlage, 26-09-10

Hoe belangrijk is het om te weten of een personage in een verhaal iets wel of niet gedaan, gedacht of gezien heeft? Of de blote keizer in het sprookje van Andersen wel of niet een kroon op zijn hoofd had? Bij Willem Frederik Hermans blijkt dat wel belangrijk te zijn, waarschijnlijk (onder meer) wegens zijn ‘obsessie’ met de feitelijke correctheid van zijn beschrijvingen van objecten en omgevingen. Volgens Hermans was romans schrijven immers ‘wetenschap bedrijven zonder bewijs’. In de Wetenschapsbijlage interviewt Gemma Venhuizen de Noorse geoloog Krøgli over zijn digitale zoektocht naar inslagkraters in het noorden van zijn land waar Alfred Issendorf, de hoofdpersoon in Hermans’ Nooit meer slapen eenzelfde zoektocht verrichtte, maar dan te voet. Venhuizen en Krøgli gaan ervan uit dat Issendorf nooit een krater heeft gevonden, maar Sonja Pos is een andere mening toegedaan. In haar recente boek over navolging en rivaliteit in Hermans’ werk, Dorbeck is alles!, schrijft ze dat Issendorf wel degelijk de krater gevonden had, maar in zijn paniek de plek niet als zodanig herkende (p.155). Ze citeert uit Hermans’ roman: ‘Midden in een ronde laagte sta ik tussen de heuvels’ (p. 189) en ‘Hoekige brokken, wit als suiker, groot als pianokisten, pleksgewijze melaats van zwarte korstmossen. Het lijkt of de drie eenmaal een brok zijn geweest, nu gebarsten’ (p. 190). Pos laat mijns inziens overtuigend zien dat Hermans de lezer achter de rug van Issendorf om meedeelt dat deze zijn doel heeft bereikt maar het zelf niet beseft. Het is juist die wetenschap die de roman zijn tragische diepte geeft. Of Issendorf nu wel of niet de krater heeft gevonden is derhalve niet alleen een interessante wetenswaardigheid voor Hermansfans maar een ‘feit’ waar het hele drama van Afred Issendorf om draait.

Sjaak van der Geest

Antropoloog

Oud Ade