Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Bezuiniging op kunst ook eigen schuld

Donderslag bij heldere hemel, die bezuiniging op kunstsubsidie? Niet helemaal, volgens een deskundige. Over de fuik van de ‘peer review’.

„De kunst is in zijn eigen fuik gezwommen”, meent kunsteconoom Pim van Klink. Hij vormt een tegengeluid in het koor van verbijstering waarmee de kunstwereld deze week de historisch grote bezuiniging van 200 miljoen euro op rijks-cultuursubsidies heeft ontvangen. Volgens Van Klink heeft de kunstsector zich jarenlang door ‘perverse prikkels’ laten leiden. s

Hoofdschuldige, volgens Van Klink: het systeem van ‘peer review’, waarbij kunstenaars en kunstkenners van de Raad voor Cultuur hun collega’s beoordeelden op vernieuwing en het vage, zelf te bepalen begrip ‘artistieke kwaliteit’.

Dat heeft er, meent Van Klink, toe geleid dat de kunstwereld voorstellingen maakte en muziek speelde op de maat van hun beoordelaars. En dus „niet voor brede lagen van de bevolking”. Die brede lagen, Henk en Ingrid in het PVV-jargon, eisen nu hun deel op.

Wat Van Klink betreft, is van groot belang dat deze bezuiniging leidt tot een ander systeem van subsidieverdeling. De smaak van ‘de gewone man’, Ruttes HWN (hard werkende Nederlander), moet een rol gaan spelen. Met meer subsidie voor wie populaire kunst maakt. Dat de coalitie dat ook wil, valt op te maken uit de summiere toelichting in het regeerakkoord: „Bij verstrekking van subsidies wordt voortaan eerst gekeken naar de mogelijkheden eigen inkomsten te verwerven.”

Voorafgaand aan de huidige subsidieperiode van vier jaar (2009-2012) was er al langdurig gesteggeld over een nieuwe systematiek. Het resultaat was een aan niemand uit te leggen compromis. Dat kan nu van tafel.

Wat Van Klink betreft is straks nog maar twintig procent van de subsidie voor „vernieuwende kunst” en gaat de rest naar groepen die hun „draagvlak bewijzen aan de kassa”.

Dat wordt een harde dobber voor veel culturele instellingen. Vorig jaar haalde nog maar 76 procent de nieuwe norm voor eigen inkomsten, als vastgesteld door de vorige cultuurminister, Ronald Plasterk: 17,5 procent van je begroting.

Dat onvermogen leidt tot beschimpingen als ‘subsidieslurpers’. De werkelijkheid is complexer, zeggen verdedigers van het bestaande systeem. Kwetsbare, jonge, experimenterende talenten wordt nu de kans gegund te groeien in hun vak. Kunstenaars, dansers, componisten zorgen voor aanzien in het buitenland. En de culturele industrie heeft een economische opbrengst die het veelvoud is van de subsidie.

De kunstsector is ook boos over de verhoging van het btw-tarief van 6 naar 19 procent voor ‘podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen’. Het maakt kaartjes duurder. En dat gaan Henk en Ingrid, die misschien wel van popmuziek houden, ook merken. Maar er staat tegenover dat de verlaging van dit tarief pas in 1998 werd ingevoerd, zonder veel prijsdalingen te veroorzaken.

Duidelijk is dat de kunstsector niet voorbereid is op bezuinigingen van de thans aangekondigde omvang. Negeren van kritiek zoals bijvoorbeeld al jaren door de VVD geuit – misschien kun je dat ook een ‘perverse prikkel’ noemen.