Ziet er wel somber uit, zo

De kenniseconomie is net een wielerwedstrijd, waar je als land aan mee moet doen.

Gevolg: een toenemende druk op de bevolking, die niet van de vooruitgang profiteert.

Als iedereen nu zijn werk uit handen laat vallen, hoeveel mensen hebben er dan een zere voet? Kevin Kelly, oprichter van internettijdschrift Wired, wilde met die uitspraak duidelijk maken in wat voor tijd we leven. Een kenniseconomie, waarin we werken met ons hoofd in plaats van onze handen. Waarin we betalen voor een auto om zijn navigatie en design, niet om zijn materialen.

Vandaag publiceert Kennisland, een denktank die een ‘slimmer Nederland’ beoogt, de Kenniseconomie Monitor 2010. Nu is je eerste gedachte wellicht: niet wéér een rapport. De tweede: saai onderwerp. En de derde: vast een club die denkt te weten hoe het beter moet. Alle drie zijn waar, en ook weer niet.

Het rapport gaat over de gevolgen van de kenniseconomie voor Nederland. En die zijn niet saai: zichtbare tegenstellingen tussen jong en oud, tussen arm en rijk en tussen hoog- en laagopgeleiden. Tegenstellingen die zullen bepalen of de jonge generatie straks nog wel in Nederland wil blijven wonen.

Dat Kennisland-voorzitter Joeri van den Steenhoven zijn bevindingen vlak voor de komst van een nieuw kabinet presenteert, is geen toeval. Kennisland wil het debat openen over de koers die Nederland de komende jaren moet volgen. Aan de hand van grafieken.

1 Wie is koploper in de wielerwedstrijd der kenniseconomie?

De kenniseconomie is als een wielerwedstrijd waarin je niet kunt stoppen – het is nu eenmaal het tijdsgewricht waarin we leven. Voeg je de landenprestaties uit vijftien veelgebruikte graadmeters voor kenniseconomie samen, dan krijg je een kopgroep aangevoerd door Denemarken en Zweden. Zij investeren het meest in onderwijs, productontwikkeling en een gunstig klimaat voor ondernemers. Zij zijn, met andere woorden, de beste in het product waar het in de nieuwe economie om draait: kennis.

Nederland ligt op een mooie achtste plek met daarachter een groep van 31 achtervolgers. Groot-Brittannië hijgt in de nek. Koploper Denemarken lijkt sinds zijn centrum-rechtse tweepartijenstelsel met gedoogsteun op Zweden te verliezen – volgens de laatste enquêtes vinden ondernemers het politieke klimaat wat onzeker.

De kabinetten-Balkenende wilden dat Nederland harder gaat rijden: een positie in de top-5 is nog altijd het doel van het kabinet. De vraag is eerder of we die achtste plek kunnen vasthouden, zegt Van den Steenhoven. „De rest rijdt harder. De kopgroep investeert 1 procentpunt van zijn bruto binnenlands product meer in onderwijs en productontwikkeling dan Nederland. Ondertussen vertrekt farmaciebedrijf Organon uit Nederland en heeft Philips veel van zijn onderzoeksactiviteiten naar China verplaatst. Dat zijn goedbetaalde banen die hier verloren zijn gegaan.”

Tot in de jaren zeventig lag Nederland aan kop: bedrijven wilden zich hier vestigen, hier werd het meest geïnvesteerd in kennis. De omslag, zegt Van den Steenhoven, kwam tijdens de crisis in de jaren tachtig. Het kabinet-Lubbers besloot de lonen te matigen en de lasten te verlichten: Nederland ging concurreren op prijs. De huidige koplopers dachten die crisis juist te overwinnen door investeringen in hoger onderwijs en onderzoek. „Nederland probeert sinds kort weer aan te haken, maar de achterstand op nummer zeven, Finland, is groot.”

Is het erg, dalen op zo’n ranglijst? Van den Steenhoven: „Nee, want wat zegt een top-5 nu eigenlijk? Waarom zou je topuniversiteiten willen?” Belangrijker is hoe je met de gevolgen van de kenniseconomie omgaat. Daar gaat de rest van dit artikel over.