Kees van Dongen

Met groeiende ergernis las ik de recensie van Janneke Wesseling over de tentoonstelling van Kees van Dongen (Museum Boijmans van Beuningen). Jammer dat uw recensent de tekst van Anita Hopmans in de tentoonstellingscatalogus niet of nauwelijks heeft gelezen, dan zouden denigrerende en niet onderbouwde beweringen als „Al snel concentreerde Van Dongen zich meer op marketing en carrièreplanning dan op zijn schilderkunst” achterwege zijn gebleven. Daarnaast lijkt uw recensent het eerste gedeelte van de tentoonstelling te hebben gemist. Zij schrijft: „Een expositie in Museum Boijmans toont alleen zijn vroege schilderijen”, terwijl de tentoonstelling begint met diverse werken na 1911, juist om ook de latere periode te benadrukken. Er hangt bijvoorbeeld het grote doek Anna de Noailles uit 1931, terwijl volgens uw recensent „de expositie in 1927 ophoudt”. Het wordt enigszins bizar als Wesseling schrijft: „Het echte, belangrijke werk van Van Dongen is, zo laat de tentoonstelling zien, in enkele jaren ontstaan, tussen ongeveer 1907 en 1912” en dan daaruit de conclusie trekt „dat de grote belofte die hij was niet is waargemaakt”. In november 2009 is een recordbedrag betaald voor een Van Dongen (Jeune Arabe uit 1913, 13,8 miljoen dollar), terwijl een verwant schilderij (Saida, 1913) op deze expositie hangt. Het is inderdaad jammer dat er geen werk na 1931 wordt getoond en dat vele topwerken afwezig zijn. Maar ik zou willen vragen om een zorgvuldiger benadering van een van de grootste Nederlandse kunstenaars uit de 20ste eeuw.

Michiel van der Weele