Het dier klaagt de mens aan

De zuivere broeders van Basra: De zaak van de dieren tegen de mensen. Vertaald door Remke Kruk. Bulaaq, 272 blz. € 24,50

Een toepasselijke aanklacht nu Dierendag voor de deur staat: De dieren hebben er schoon genoeg van door de mensen uitgebuit en mishandeld te worden, en ontsnappen uit hun slavernij naar een afgelegen eiland, waar de wijze koning van de djinns of geesten regeert. Daar spannen ze een rechtszaak aan tegen de mens, die maar eens moet komen uitleggen waarom hij denkt over de dieren te mogen heersen.

Zo begint De zaak van de dieren tegen de mensen, verschenen in een nieuwe vertaling en verrijkt met schitterende dierminiaturen uit islamitische manuscripten. De zaak is onderdeel van de Verhandelingen van de zuivere broeders van Basra, een anoniem auteurscollectief dat in de 10de eeuw in Zuid-Irak actief was. De zuivere broeders proberen in hun boek alle religieuze en filosofische wijsheid van hun tijd te omvatten: ze prediken een oecumenische, vrijzinnige en filosofisch ge- inspireerde vorm van gelovigheid.

De zaak presenteert hun filosofische en diervriendelijke islam in de vorm van een levendige en geestige vertelling. Geen wonder dat dit een van de populairste – en vertaalde – werken van de islamitische Middeleeuwen is geworden.

De mens opent zijn verdediging met Koran-citaten; maar die blijken niet te overtuigen, dus vervolgen ze met filosofische argumenten. Zo geeft dit boek je ook een indruk van de debatcultuur zoals die in de 10de eeuw in de islamitische wereld bestond. De mens zegt superieur te zijn aan de dieren, omdat hij begiftigd is met de rede en als enige in staat is tot het hoogste goed. Maar waarom, vragen de dieren, maken de mensen dan zo weinig gebruik van dat verstand en doen ze zoveel slechte dingen?

Filosofen zaaien slechts verdeeldheid, betogen ze, en kaliefen zijn brute tirannen in plaats van waardige opvolgers van de profeet. Voorts beklaagt het varken zich erover dat hij door moslims en joden voor onrein wordt gehouden, terwijl christenen een lekker hapje in hem zien. Daarna komen joden, Grieken, Indiërs en ook Arabische moslims uitleggen waarom zij de besten onder de mensen zijn.

Maar allemaal – inclusief de moslims – worden ze door een wijze djinn de oren gewassen, met het verwijt dat ze zwaar tekortschieten in hun geloof en in hun daden.

Aan het eind van het debat staat de zaak van de mens er dus slecht voor. Maar dan betoogt een man uit de streek van Mekka dat alleen de mens een onsterfelijke ziel heeft, en dat die op de Dag des Oordeels verantwoording zal moeten afleggen voor zijn daden.

Pas door dat argument raakt de koning ervan overtuigd dat de dieren de mens moeten dienen en gehoorzamen. Daarmee wordt ook de allegorische portee van De zaak van de dieren tegen de mensen duidelijk: door mededogen en tederheid te tonen tegenover dieren zuiver je ook je eigen ziel. Zelden zijn dierenrechten op een aandoenlijker manier bepleit.