Aan de wandel met een onzichtbare hond

Wim Brands: Neem me mee, zei de hond. Nieuw Amsterdam, 56 blz. € 10,-.

In zijn nieuwe bundel vertelt Wim Brands over zijn ontmoeting met een paar vissers. Ze spreken de hoop uit ooit ‘de vis met de gouden schubben’ te zullen vangen. Dan stoppen ze meteen met vissen. Onze dichter zegt dat hij niet in zulke sprookjesvissen gelooft. Daarom krijgt hij bij zijn vertrek ‘de riem waaraan de dorpsoudste / elke dag de onzichtbare hond / uitliet.’ Het is een grappige gedachte dat er in zo’n vissersdorp een dorpsoudste zou zijn die elke dag met de hond gaat wandelen. Met een onzichtbare nog wel. Het verhaal loopt ongemakkelijk af. Het ongeloof wordt afgestraft. Brands vertelt dat hij bij thuiskomst de riem aan een deur spijkerde. En toen? ‘Elke nacht werd ik gewekt / door geblaf.’ En daarmee eindigt het gedicht.

Is het eigenlijk wel een gedicht? Het heeft korte zinnen, een zakelijke toon, geen vaste vorm, geen rijm, geen ritme. Het is een verhaaltje, over een gebeurtenis die wel of misschien ook wel niet heeft plaatsgevonden. Er zit magisch denken bij en er hangt een sfeer van tovenarij omheen. Zo gaat het vaak in de gedichten van Wim Brands. Hij houdt van die andere werkelijkheid die zich vlak onder de alledaagse werkelijkheid lijkt te bevinden, en die je alleen met een scheve blik op het spoor komt. Die andere werkelijkheid doet zich ook dicht bij huis voor, in de levens van de stadbewoners die hij portretteert. Het is de wereld van de wijkverpleegster die voelt dat op de plek van het voormalige klooster de geesten van de monniken nog aanwezig zijn: ‘als het avond wordt (…) sturen ze vuurvliegjes / om ons te troosten.’ Het is de wereld van een eenzame vrouw die soms de telefoon pakt ‘om te controleren of er nog een kiestoon is’. Een Poolse klusser herinnert zich dat een vliegtuig neerstortte in het weiland en dat de paarden er rondjes omheen renden, ‘als vrolijke kleuters / op een schoolplein’. Een vrouw herinnert zich dat ze vroeger gelukkig was met haar vader toen ze ‘door een röntgenfoto / van zijn zieke longen naar een / zonsverduistering keken.’

Met zo’n sterk beeld doet Brands verder niets. Hij is in wezen een passieve dichter: hij loopt rond, luistert, leest. Hij wacht tot hij vindt wat hij zoekt, en dat brengt hij dan zonder veel ingrepen onder in een gedicht. Ik houd wel van deze afwachtende onbevangen blik op de wereld en van deze droge waarnemingen. Als je het maar simpel genoeg houdt, wordt het vanzelf betekenisvol. Maar ik moet ook zeggen dat ik de betekenis soms niet zie. In het titelgedicht, een vertaling van een gedicht van Robert Lax, lezen we de korte conversatie tussen een hond en de dichter. De hond wil weten of de dichter alleen maar op bezoek komt. Als hij ‘ja’ zegt, vraagt de hond: ‘Neem me mee.’ Dat is het dan. Brands zal er niet zonder reden de titel van zijn bundel aan hebben ontleend, maar ik weet niet wat de clou nu is. Of, als er geen clou is, wat er nu aan zenwijsheid in opgesloten zit.

Zo zijn er wel meer gedichten die er dichterlijk en diepzinnig uitzien, maar die mij te vrijblijvend zijn. De vorm is vrij, de grens tussen proza en poëzie is vaak niet te trekken, de vertalingen zijn vrij – en dan is er ook nog een dichter die alleen maar registreert en zelf dus onzichtbaar blijft. Het is met Brands’ poëzie als met haiku. Als je er te veel van achter elkaar leest, gaan ze allemaal op elkaar lijken. Neem ‘Nauwelijks’: ‘Er is nauwelijks een verhaal. / Er is nauwelijks verleden. / Er is nauwelijks toekomst. / Er is een gele vlinder / die onder mijn ogen / zijn vleugels opent / en de stad onder / zijn hoede / neemt.’ Noem het een lofzang op het kleine, op het moment en het minimale, op het nauwelijkse van het hier en nu. Maar ik zie er alleen maar een quasi- diepzinnig geval in, waar dan ook nog eens, quasi-haiku, een gele vlinder bij wordt gehaald. En die zou dan de stad ‘onder zijn hoede nemen’? Hoe dan? Met een onzichtbare riem vermoedelijk.