Waaraan dragen deze storende objecten bij?

Spoort monumentale kunst in de openbare ruimte ons aan om op een nieuwe manier naar het leven te kijken?

Pleidooi voor het weghalen ervan. Een voorpublicatie.

Het lijkt me verstandig te beginnen met een ontboezeming. Of zelfs twee. Ik houd van kunst. En ik stem al jaren links. Als ik beweer dat wij in Nederland kunst in de openbare ruimte kunnen missen, doe ik dat dus niet omdat het om een linkse hobby of verspilde belastingcenten zou gaan. Verkeerd besteed misschien, maar verspild zeker niet. Het gaat mij, een liefhebber, niet zozeer om de kunst zelf die we zouden kunnen missen, maar om het feit dat deze in de openbare ruimte tentoongesteld wordt. En in veel gevallen zelfs permanent geïnstalleerd. Daar moeten we mee stoppen. Hoe sneller, hoe beter.

Ergens in de jaren zeventig moet iemand hebben gedacht dat het volksverheffend was een abstract beeld te plaatsen op het plein van basisschool De Bongerd, tegenover het huis waar ik een deel van mijn jeugd woonde. Ik had er tussen mijn vierde en mijn zevende nog geen esthetisch oordeel over, maar ik zag al wel dat de buurt er over het algemeen niet positief op reageerde. Een anorectische Barbapapa, daar leek het nog het meeste op. Kinderen hingen hun jas eroverheen of klommen erin tijdens de pauze. Ook ik wist pas na de uitleg van mijn moeder dat het geen klimrek was, maar omdat ze tegelijkertijd meedeelde dat bongerd ‘boomgaard’ betekende, bleef ook bij mij de verwarring aanzienlijk.

Of het aan de jaren zeventig lag of aan de woningvoorkeur van mijn ouders weet ik niet, maar ook in de buurt van het tweede huis dat ik mij herinner, had de gemeente kunst geplaatst. Midden in het park dat mijn broers en ik doorkruisten als we naar school liepen. Grote bruinroestige gevaarten met scherpe hoeken, alsof het gigantische gevouwen A4’tjes waren, één liggend en één staand.

Ik denk dat ik wel veertien kinderen heb zien bloeden als gevolg van interactie met die kunst. Het spectaculairst was zonder twijfel de valpartij van een jongetje dat het liggende stuk roest als springschans voor zijn crossfiets gebruikte. De eerste vouw lanceerde hem, waardoor hij met een mooie boog terechtkwam op de scherpe hoek van de tweede vouw. Het ging gelukkig om een melkgebit.

De gemeente heeft die dingen vreemd genoeg nooit weggehaald. Ze liggen er nog steeds. Abstract en roestig bruin, zoals ze in honderden plaatsjes in ons land te vinden zijn. Waarom? Waaraan dragen deze objecten bij?

Er schiet me nog een voorbeeld uit mijn jeugd te binnen. Naast een zwembad in Leeuwarden. De Blauwe Golf, zo heette zowel het bad als het kunstwerk. Het was een betonnen object, zo hoog als een flatgebouw, en blauw, want het moest een golf voorstellen. Mijn broers en ik noemden het ‘een vallend stuk wc-papier’. Het werk ontketende in ons gezin de eerste discussie over kunst, rijdend langs dat zwembad in een gammele, vlagele stationwagen. Met z’n zevenen. Mijn ouders probeerden ons bij te brengen dat je niet voor een ander kunt bepalen wat mooi is en wat lelijk (hier openbaart zich ook meteen de motivatie voor de aanschaf van die vlagele tweedehandsauto) en dat het er soms alleen om gaat dat kunst iets bij de mensen losmaakt, iets teweegbrengt, al is het walging.

Ik was het daar niet mee eens. Die grote betonnen golf, kinderachtig krullend als een stuk wc-papier, kon niemand mooi vinden. Misschien veroorzaakte het inderdaad walging, maar dan om heel andere redenen dan het werk van Paul McCarthy of Marchel Duchamp. (Zeg ik nu. Toen wist ik nog niet wie deze mannen waren.)

Maar ach, mijn moeder had natuurlijk gelijk. Het gaat niet om mooi of lelijk. Dat esthetische oordeel zal voor iedereen verschillend zijn. Het gaat om de motivatie voor het pláátsen van die kunst. Om de gedachte erachter.

Als die gedachte erachter volksverheffing is, welk signaal geven we met deze kunstwerken dan af aan het volk dat zo zelden echte kunst ervaart? Het soort kunst dat we in de openbare ruimte treffen spoort ons nu niet bepaald aan om eens een museum te bezoeken of om op een nieuwe manier naar het leven te kijken.

In de openbare ruimte moet kunst vooral hufterproof zijn, bij voorkeur roestvrij en blijkbaar enorm van omvang. Denk aan een kudde betonnen olifanten langs de A6, een stel angstaanjagende puppies op een brug boven het Rembrandtpark in Amsterdam, of – dit zag ik een paar weken geleden toen ik door het zuiden van ons land naar Vlaanderen reed – aan een werkelijk absurd grote pop, liggend langs de snelweg, met een trechter in de mond. Vast niet bedoeld als ode aan de comazuiper, al was dat wel het eerste waaraan ik dacht.

Hoe hebben de opdrachtgevers van deze openbare kunstwerken ooit geredeneerd? Welk effect hadden ze voor ogen? Het zijn vragen die je bij de kunst in galeries en musea niet snel stelt. Maar ik stel ze nu niet aan de makers van de kunstwerken. Die kun je het niet kwalijk nemen dat ze met een flinke subsidie aan de slag gaan als ze daartoe de kans krijgen. Nee, ik richt me hier tot de beleidsmakers. De wethouders die besluiten grote budgetten uit te trekken voor kunstobjecten langs snelwegen of op rotondes – gek genoeg vaak ook nog op zeer onverantwoorde plaatsen. Zij zijn de boosdoeners!

En als zij niet namens linkse partijen in gemeenteraden zitten, en volksverheffing dus niet hun motief is: des te erger. Dan moet het immers om esthetiek gaan. Om het opvrolijken van ons monotone Nederlandse landschap. Dit kunstwerk vinden de mensen leuk, heeft iemand dan besloten.

Ook dit lijkt me een misvatting. Mensen vinden zo’n kunstwerk helemaal niet leuk. Ze hangen er hun jassen aan op, stoten hun hoofden eraan, gebruiken het hoogstens als ijkpunt bij het wijzen van de weg.

Al dat geld, de miljoenen die elk jaar besteed worden aan kunst in de openbare ruimte, zou beter in de toegankelijkheid van musea en galeries geïnvesteerd kunnen worden. Voor dat geld zou je elk jaar van een paar musea de toegang gratis kunnen maken, je zou hele volkswijken echte kunst laten ervaren op plaatsen waar ze, afgeschrikt door al die matige objecten in de openbare ruimte, anders nooit zouden komen. Bovendien doe je alle kunstliefhebbers, die toch ook gebruik maken van snelwegen, parken en verkeerspleinen, een groot plezier door ze niet langer te confronteren met het werk van kunstenaars uit het afvalputje van de creatieve goegemeente.

We kunnen het missen, kunst in de openbare ruimte. En, als ik zo vrij mag zijn, zou ik de beleidsmakers meteen willen oproepen de komende jaren de kunstbudgetten toch nog maar even niet te besteden aan gratis toegang tot musea of andere vormen van volksverheffing. Laten we liever beginnen met het weghalen van al die objecten die over de jaren het zicht op ons landschap, onze dorpen en steden, zo hebben vertroebeld.

Mocht het nodig zijn, dan maak ik voor deze beleidsmakers met alle liefde een lijst van kunstobjecten die volgens mij in de categorie ‘hoogst overbodig’ vallen.

Dit is een bijdrage aan de bundel Wat we missen kunnen, Uitg. Babel & Voss, €15,-