Regeert de middelmaat?

Tussen mijn 31ste en 35ste had ik een baan in New York. Mijn jonge gezin was mij spoedig gevolgd. De oudste ging al dadelijk naar de lagere school, waar hij leerde lezen. Dat gebeurde op een andere manier dan wij gewend waren. Terwijl dat bij ons de kinderen letter voor letter bijgebracht werd, volgden ze in Amerika een andere methode. Daar was de omtrek van het hele woord de basis van het leesonderwijs.

Die methode is, zo heb ik begrepen, later naar Engeland overgewaaid en daar, weer later, aanleiding geworden voor een ideologische strijd. Want de gebrekkige lees- en spellingsvaardigheid die bij een hele generatie Engelsen is geconstateerd, wordt nu toegeschreven aan die Amerikaanse ‘logografische’ methode.

In een rapport, getiteld So why can’t they read? wordt vastgesteld dat eenderde van de leerlingen van de Londense basisscholen leesproblemen heeft. Vijf procent kan zelfs helemaal niet lezen en 20 procent verlaat de middelbare school zonder goed lezen en schrijven te kunnen. Dit verschijnsel heeft niets te maken met de toevloed van allochtone kinderen. Integendeel, die zijn vaak leergierig en maken snelle vorderingen.

Nu moet onmiddellijk gezegd worden dat dit rapport is uitgegeven door de door Margaret Thatcher gestichte denktank Centre for Policy Studies en dat de auteur de chef is van de onderwijsredactie van de conservatieve The Sunday Telegraph. De opdracht tot het rapport werd door de eveneens conservatieve burgemeester van Londen, Boris Johnson, gegeven. Maar is dat op zichzelf genoeg reden om het rapport dadelijk naar de prullenmand te verwijzen?

Mijn wijsheid ontleen ik aan een artikel dat ik in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 28 juli jl. las. Ik was er des te gevoeliger voor omdat ik dergelijke verhalen ook over aankomende studenten aan de Nederlandse universiteiten had gehoord. Zelfs studenten journalistiek, die bij uitstek met taal te maken zouden hebben, moest nog extra geleerd worden goed Nederlands te schrijven en spellen. (Ik moet zeggen dat ik zulke manco’s bij mijn ‘Amerikaanse’ kinderen nooit geconstateerd heb.)

Liggen die manco’s in taal- en spellingsvaardigheid aan het basisonderwijs? Taalonderwijsdeskundige Jannemieke van de Gein meent van niet. In een artikel in het septembernummer van Onze Taal constateert zij dat „leerlingen aan het einde van de basisschool veel beter zijn in de werkwoordspelling (daar beperkt zij zich toe) dan gedacht wordt”. „Er mankeert, om kort te gaan, maar weinig aan de spelling van de werkwoordvormen in het schrijfwerk van achtstegroepers. Het vervolgonderwijs heeft daardoor weinig meer te doen dan hun kennis en vaardigheid onderhouden. En precies dat onderhoudswerk lijkt het werkelijke zwakke punt in het spellingonderwijs na de basisschool.”

Haar conclusie luidt dan ook „dat het met de werkwoordspelling (kort gezegd: ‘word’ of ‘wordt’?) na de basisschool in rap tempo bergafwaarts gaat. Hoe is die achteruitgang te verklaren? Is dat onderzocht, bijvoorbeeld door het ministerie van Onderwijs? Niks, hoor.”

Nu, dat is niet helemaal waar. Dat ministerie heeft een ‘Expertgroep Doorlopende Leerlingen Taal en Rekenen’ ingesteld. Die groep „heeft zichzelf ten doel gesteld haalbare eisen te formuleren, maar intussen zijn die eisen zó absurd laag dat het de vraag is of zij haar doel niet finaal voorbijschiet. Basisschoolleerlingen beheersen de werkwoordspelling namelijk vele malen beter dan de commissieleden lijken te denken.”

Zij laat „met de referentieniveaus de lat dus zakken, zelfs tot ver onder het niveau dat verreweg de meeste basisschoolleerlingen zonder buitensporig veel moeite kunnen bereiken. Die commissie heeft daarmee niet alleen de huidige terugloop van het vaardigheidsniveau ná de basisschool gesanctioneerd, maar ook werkt zij met deze maatregelen – ongetwijfeld onbedoeld – de terugloop van het huidige niveau óp de basisschool in de hand.” Waarom zou die immers dat hoge vaardigheidsniveau handhaven, wanneer het voortgezet onderwijs het niet onderhoudt?

In een naschrift bij dit artikel zegt de redactie van Onze Taal dat zowel het ministerie van Onderwijs als de commissie (of expertgroep) om een reactie is gevraagd, „maar beide hebben besloten niet in te gaan op de inhoud van het artikel”. Het wachten is op een nieuwe minister van Onderwijs, aan wie vragen hierover gesteld kunnen worden.

Het wachten is ook op een reactie op het rapport van de commissie-Veerman (april 2010), waarin geconstateerd wordt dat de kwaliteit van het hoger onderwijs „over de volle breedte” omhoog moet, dat getalenteerde studenten niet aan hun trekken komen en dat onze studenten niet proberen te excelleren.

„Ach, die arme universiteit!”, roept de filosofe Joke Hermsen in een interview in onze krant (23 juli jl.). „Door bezuinigingen en veramerikanisering gaat het alleen maar om punten en het zo snel mogelijk klaarstomen van studenten voor een diploma. Voor Bildung is geen tijd, iedereen moet opschieten. De middelmaat regeert.” En dan moet alles ook nog in het Engels, dat wil zeggen: in een soort steenkolenengels, dat in de Engelssprekende landen alleen maar de lachlust opwekt.

We zijn ver afgedreven van het begin, want het staat allerminst vast dat de oorzaak van alle ellende ligt bij het leesonderwijs op de basisschool, maar dat er veelal slordig gelezen wordt, wat dan onvermijdelijk tot verkeerde conclusies leidt, kan ik uit menige lezersbrief – en vooral e-mail – opmaken. Ook hier haast, haast, haast.

Reageren kan op nrc.nl/heldring