Kind met ADHD mist vaak stukken van DNA

Voor het eerst is bewezen dat ADHD in de genen zit. Kinderen met ADHD missen hele stukken DNA, of er zijn DNA-fragmenten die in hun chromosomen verdubbeld zijn. Genen op die DNA-brokken zijn daardoor afwezig of juist vaker dan de normaal aanwezig. Dat kan de hersenontwikkeling of -werking verstoren en dat kan de oorzaak van ADHD zijn.

Daarmee is voor het eerst een directe link gelegd tussen DNA en ADHD. Ook is bewezen dat ADHD niet alleen maar een opvoedkundige of sociaal-culturele oorzaak heeft. Dat schrijven Britse onderzoekers in hun vandaag online gepubliceerde onderzoeksverslag in The Lancet.

Voor de behandeling of de medicatie van ADHD-kinderen verandert dat nog niets, benadrukten de onderzoekers gisteren op een persconferentie in Londen.

De ontbrekende of verdubbelde DNA-fragmenten komen bij kinderen met ADHD tweemaal zo vaak voor als bij mensen zonder ADHD. En ADHD-kinderen met een laag IQ (lager dan 70) hebben nog meer verstoord DNA.

De DNA-fragmenten waar de onderzoekers van de universiteit van Cardiff naar zochten als oorzaak van ADHD, zijn bekend onder de naam copy number variations (CNV’s). Copy number variations zijn al gevonden bij patiënten met andere belangrijke en enigszins verwante psychiatrische aandoeningen: schizofrenie en autisme. Het is bekend dat één patiënt vaak kenmerken van zowel ADHD, autisme als schizofrenie heeft. De 366 5- tot 17-jarige kinderen in dit onderzoek hadden alleen ADHD.

Het belang van CNV’s als oorzaak van erfelijke ziekten neemt toe. Voorheen werd vooral gekeken naar mutaties ter grootte van één basepaar (‘letter’) van het DNA die meteen ziekten veroorzaken of het risico op ziekten verhogen. De laatste zijn bekend als SNP’s (single nucleotide polymorphisms). De detectietechnieken voor CNV’s waren nog te moeilijk en duur, maar dat verandert snel.

De Britse onderzoekers telden de CNV’s alleen mee als ze langer dan 500.000 baseparen waren. Ze vermoeden dat, als ze naar kleinere CNV’s kijken, er bij veel meer ADHD-kinderen typische en zeldzame CNV’s te vinden zijn. Nu vonden ze die bij 16 procent van de ADHD-kinderen, en bij 8 procent van de gezonde controlepersonen.

Vaak hadden de ouders van de patiënten dezelfde CNV’s. Dat komt heel goed overeen met de wetenschap (uit tweelingonderzoek) dat ADHD voor 76 procent erfelijk is.