Jubelkreten over dul eten

Tijdens een taalcursus in Griekenland zaten we in een klein dorp op Korfoe. Het dorp bezet één restaurant met een helaas weinig getalenteerde kok en een gelegenheidsrestaurant, dat soms openging en dan van alles en nog wat serveerde zonder dat je erom had gevraagd, waardoor je weinig zicht had op de duur of de omvang van de maaltijd.

Helaas stond ook daar iemand achter het fornuis die meer ijver dan talent bezat en het was dan ook geen feest je door al zijn saaie groentehapjes en taaie vleesschotels heen te werken. ‘De eetgevangenis’ noemde een van ons dat restaurant en altijd als je ergens matig te eten krijgt en niet weg kunt, komt dat woord weer boven.

Meestal ben je lijdzaam in zulke situaties, en onderdruk je min of meer je ergernis. Het kan ook anders. Ik las laatst weer eens in Op weg naar het einde hoe de nog jonge Gerard Kornelis van het Reve zich in een vergelijkbare situatie gedroeg, tijdens de niet erg smakelijke lunches van een schrijverscongres in Edinburgh. ,,[...] bij mijn kollegaas is het  gegrom niet van de lucht. Ik prijs dan ook luid elke gang van het doodgestoomde menu, beklop mijn smakeloze oeuf dur goedkeurend met mijn vork, zeg verscheidene malen ‘lovely, lovely, this is what I call reinforcing the inner man’ etc.”

Zo kan het ook. Hoe duller het eten, hoe luider de jubelkreten.

Maar beter is misschien toch een ietsjepietjse zorg te besteden. Dan kan met een kleine inspanning een fraaie salade worden gemaakt die in zijn eentje als lunch kan dienen zonder dat er iemand hoeft te grommen. Of als voorafje voor een risotto, bijvoorbeeld.

Er gaat wilde eend in, dat wil zeggen: wilde-eendenborst. Die moet betrekkelijk kort worden gebakken. Wie een hele eend wil bereiden, zit altijd met het probleem van de pootjes die maar niet gaar willen worden terwijl het borstje echt rosé moet blijven. Daarom verwijderen we de borstfilets en trekken bouillon van het karkas – die bouillon kan de komende tijd met al zijn wilde genoegens nog heel goed van pas komen.

Salade met wilde eend en druiven (voor 2 personen)

  • stukje (5 cm) harde peperworst
  • 2 wilde-eendenborstfilets
  • 250 g sperziebonen
  • hart van 1 krop romainesla
  • 10 witte druiven
  • olijfolie
  • 2 el balsamico

Zet de oven aan op 100 graden. Kook of stoom de sperziebonen iets zachter dan beetgaar. Laat ze bestrooid met wat zout even afkoelen.

Bestrooi de eendenborstjes met peper en zout. Verwarm twee eetlepels olijfolie in een koekenpan en bak daarin even kort de in kleine stukjes gesneden plakjes peperworst. Laat ze uitlekken op keukenpapier.

Leg daarna de filets erin, met de velkant naar beneden. Ze moeten niet zodanig hard bakken dat het vet verbrandt, maar ook niet sudderen. Laat ze vijf minuten op die kant bakken, draai ze dan om en laat ze nog drie minuten op de andere kant bakken.

Wikkel de borstjes in aluminiumfolie en leg ze in de oven.

Doe de balsamico in de koekenpan en laat die even inkoken, voeg nog een eetlepel olie toe en proef (voorzichtig! heet!) of een en ander hartig en zuur genoeg is – het moet een zoetzure stroperige saus worden.

Scheur de sla en doe die in een kom, halveer de druiven en doe ze met de sperziebonen en de stukjes worst bij de sla. Hussel.

Snijd de filets in dunne plakjes en leg ze op de sla. Vermeng hun jus met de warme dressing in de pan en giet die over het geheel. Nog even goed husselen voor het opscheppen.