Een nieuwe moskee in Roosendaal

‘We bouwen de grootste moskee van West-Brabant” zegt moskeevoorzitter Karim Ahlalouch. Locatie is de Roosendaalse volkswijk Kortendijk. In 2011 moet hier een gebedshuis staan van 2.200 m2, met een 22 meter hoge minaret en een 8,5 meter hoge koepel. „Het moet een moderne moskee worden met een open karakter”, zegt Karim. „We bouwen een aparte ingang voor de buurtbewoners. Als ze vragen of klachten hebben, dan kunnen ze die ingang gebruiken en meteen bij de directie aankloppen zonder bang te zijn dat ze zich eerst door een meute moskeebezoekers moeten worstelen.”

Karim is 34 en woont al sinds zijn achtste in Roosendaal. Hij is in alles het tegendeel van het stereotype van de ongeschoolde en wereldvreemde moskeevoorzitter. Hij woont in een rijtjeshuis, heeft gladgeschoren wangen, spreekt voortreffelijk Nederlands en heeft een succesvolle carrière. Als er iemand is die de paternalistische kwalificatie ‘geslaagde Marokkaan’ verdient, dan is het Karim wel. Karim wil van de nieuwe moskee een ‘geslaagde moskee’ maken, en een moskee is pas een ‘geslaagde moskee’ als die in harmonie is met zijn omgeving.

De Kortendijkers hoeven niet te vrezen voor geluidsoverlast. Een geluidswal moet het lawaai van biddende mensen binnen de perken houden. Ook hoeft men niet te vrezen voor fout geparkeerde busjes in de buurt, want de moskee beschikt over een eigen parkeerplek. Maar zelfs deze voorzorgsmaatregelen hebben niet alle zorgen kunnen wegnemen. Er is angst voor waardevermindering van huizen, angst voor Marokkaanse hangjongeren.

Of zoals een buurtbewoner het formuleert in een bezwaarschrift: „Wij gunnen hun best een moskee, maar zet die dan ergens weg, zodat niemand er last van hoeft te hebben. Straks durft er niemand meer over straat.”

Het krachtigste protest tegen de komst van de moskee werd gegeven op 15 mei 2010. Op de plek waar de nieuwe moskee moet verrijzen, bungelde die dag een dood schaap aan een spanband. De vacht van het dode dier was beklad met de tekst No Mosk. Twee maanden later reageert Karim laconiek: „Ach, ik heb nog nooit van een moskee in Nederland gehoord die er zonder tegenstand is gekomen.” Hij leidt mij over het bouwterrein waar nu nog een slooppand staat en wijst naar graffiti binnen in het pand: vol = vol, NSB, en een hakenkruis.

„Even verderop staat een legerkazerne”, zegt Karim. „Omdat we zo’n hoge minaret willen bouwen, kregen we nog bezoek van drie ambtenaren van het ministerie van Defensie. Ze wilden de bouwtekeningen inzien en ze wilden weten wie er allemaal toegang had tot de minaret.” Karim vertelt over buurtbewoners die het aanbod van een dialoog herhaaldelijk van de hand wezen. Hij vertelt ook over het obscure Nationale Jeugd Brabant dat flyers in de buurt verspreidde waarin tegen de komst van de moskee werd geprotesteerd.

„Serieus, Karim”, onderbreek ik hem. „Wat hebben jullie te zoeken in zo’n vijandige omgeving?”

„Kom, ik wil je wat laten zien”, zegt hij. We stappen in zijn auto en rijden naar een industrieterrein. Verscholen achter hoge bomen ligt de plek waar de nieuwe moskee van de Turkse gemeenschap wordt gebouwd. „Dit willen wij dus niet”, zegt Karim. „Wij moslims zijn een onderdeel van de samenleving en dat willen en zullen we niet verbergen.”

In oktober wordt de eerste steen gelegd. Karim dubt nog of hier een feestelijke dag van moet worden gemaakt. Hij is bang om de verkeerde aandacht te trekken.