Wie niet voor MIJ gaat, is een sukkel

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: de vrijheid van de mens versus de ‘verhuftering’ van de samenleving.

Hij wil vooral ‘nergens bij horen’. Rutger Castricum is his own man. ,,Waar ik ook kom, ik wil er geen onderdeel van zijn.” Hij wil alleen horen bij zijn drie ‘beste vrienden, die hij al kent vanaf de basisschool, met „daaromheen nog vijf of zes”.

De verslaggever van Powned onthulde dat onlangs in een interview in Het Parool. Waarin hij zich ook even vrolijk maakt over die saaie Haagse journalisten met hun blocnotejes – terwijl hij Mark Rutte dus gewoon vraagt „of-ie nog geneukt heeft”.

Stoer. Maar als de interviewer van Het Parool hem heel gevat vraagt of hij zelf nog wel eens neukt, reageert Castricum verbouwereerd: „Wat is dat nou voor een vraag?”

Nou, een die aan hem wel gesteld kon worden, licht de interviewer toe. Waarop Castricum gekrenkt sputtert: „Dat vind ik niet, eigenlijk.”

Kijk aan. Hebben we hier dan het moderne Nederlandse levensgevoel? Blaffen naar een ander, maar verongelijkt zijn als er teruggeblaft wordt? In de jaren zeventig was dat het kenmerk van linkse grappenmakers, nu zie je het bij de ‘rechtse’ voorhoede.

En nu klaagt de linkerkant. Nederland is aan het ‘verhufteren’, waarschuwt bijvoorbeeld de socioloog Bas van Stokkom in zijn boek Wat een hufter! De individualisering en emancipatie van de burger zijn uitgemond in een grotebekcultuur van permanent gemobiliseerde ego’s – zie de scheldpartij tussen alfamannen Jort Kelder en Pieter Storms in De Wereld Draait Door, schaapachtig aangehoord door de meestal zo praatgrage presentator.

Die trend is te verklaren uit de recente geschiedenis, aldus Van Stokkom in de Volkskrant: „De jaren zestig: vrijheid, blijheid, alle paternalisme is verdacht gemaakt, bemoeizucht is uit den boze, ik maak zelf wel uit wat goed voor me is. En de jaren negentig. Het neoliberalisme: de burger is een consument die zelf moet kiezen.”

Het resultaat? Kijk maar eens in Amsterdam hoe er Formule I-gefietst wordt: wie niet voor MIJ uit de weg gaat, is een sukkel of een eikel. Of bel om drie uur ’s nachts aan bij het feestje van de buren, of de muziek wat zachter kan – en krijg te horen dat je wat toleranter moet zijn.

Dat is misschien niet het einde van de beschaving, maar wel een stijl die past bij de woeste assertiviteit die Nederland zich sinds het ‘ik-tijdperk’ van de jaren zeventig heeft aangeleerd: voor jezelf opkomen is een plicht, over je laten lopen een zonde.

De remedie van linkse denkers is meestal een poging om waarden als solidariteit en empathie met minderbedeelden nieuw leven in te blazen. Helaas lijkt de laatste jaren (zie de erosie van de grote linkse partijen) een fijne verpakking bij die boodschap te ontbreken, wat dan leidt tot het piepend draaien van roestige gebedsmolens over eerlijk delen.

Conservatieve filosofen hekelen op hun beurt niet het neoliberalisme, maar eerder het morele relativisme dat de moderne cultuur in zijn greep heeft: het gezag van de onderwijzer, dominee, politieagent en burgemeester is ondermijnd geraakt en het gevolg is dat iedereen maar zo’n beetje doet wat hem goeddunkt. Motto: wie ben jij om mij de les te lezen (eikel)?

Hun remedie is meestal: het volk moet opnieuw worden gedisciplineerd. Een taak voor de overheid (straffen), het onderwijs (nablijven), ouders (opvoeden) en filosofen als zijzelf (preken). Maar ook bij conservatieve denkers ontbreekt een taal die de moderne burger aanspreekt. Wat leidt tot het scanderen van de mantra van normen en waarden, waar de burger ook alweer genoeg van heeft.

En wie gaan ermee aan de haal? Dat zijn vooral populistische politici die de burger het beste van twee werelden voorspiegelen: ontplooiing voor hemzelf, en aanpassing voor de anderen. De burger dient bevrijd te worden van ‘Den Haag’, en anderen moeten door datzelfde Den Haag worden gedwongen zich aan te passen.

Tussen de regels door schemert hier een oud debat uit de filosofie. Worden mensen pas vrije individuen door volop deel te nemen aan een samenleving, of juist door zich daaraan te onttrekken en hun eigen gang te gaan? Volgens Aristoteles is de mens een zoön politikon, een redelijk wezen dat tot zijn recht komt in een (politieke) gemeenschap. Om daarin goed te kunnen functioneren, moeten mensen deugden leren en vooral ‘het juiste midden’ weten te houden.

Maar de oude Grieken kenden al een hinderlijke dissident als Diogenes, die lak had aan sociale conventies en naar verluidt in het openbaar masturbeerde (niet te vinden op YouTube). Diogenes, die ook in een ton schijnt te hebben geleefd, werd de vader van de zogeheten ‘cynici’ (van het Griekse kynos: ‘hond’), een sekte die tot op de dag van vandaag groot succes kent, zij het eerder in de wereld van het cabaret dan in de filosofie.

Deze hondse figuur was in zijn tijd nog een uitzondering. Voor de Grieken, en zeker voor de latere christenen, was het individu behalve een politiek en sociaal wezen ook opgenomen in een geordend universum, een kosmos met wetten en regels. De zingeving van het geheel, waar wij moderne mensen nu voortdurend zelf achteraan jagen, was goed geregeld.

Wij kampen inmiddels, volgens de Canadese filosoof Charles Taylor, met typisch moderne besognes over individuele ontplooiing en geluk, die pas ontstonden toen de kosmos van de Grieken en de Schepping van de christenen met oorverdovend geraas instortten onder het gewicht van de moderne filosofie en wetenschap. In een door de wetenschap ‘onttoverde wereld’ waren mensen voortaan vrij van de angst voor de duivel, maar waren ze ook meteen God kwijt : je leven zin geven werd voortaan een kwestie van noest doe-het-zelven.

De filosofen van de Romantiek deden er nog een schepje bovenop: jouw (ja, jouw!) leven was een kunstwerk, dat je zelf kon vormgeven. Dat was het begin van de esthetisering van het individuele leven; de sfeer van schoonheid en heiligheid die voor christenen de hele Schepping had omgeven, hechtte zich in een geseculariseerde tijd aan het persoonlijke leven van het individu. Existentialisten als Sartre dreven die hang naar totale vrijheid en zelfbeschikking in de twintigste eeuw ten top: echt álles was een individuele keus, en de hel, dat waren de anderen.

Maar zelfschepping kan natuurlijk ook mislukken (loser!), en dan zit je niet met kunst maar met kitsch die niemand wil aanraken. En dan heb je het ook zelf gedaan. Zo werden de moderne vrijheid van het individu en het project van zelfcreatie volgens Charles Taylor ook een permanente bron van angst, stress en onzekerheid. We willen allemaal vrij zijn, en van ons leven een project maken – maar tegelijk knaagt de twijfel: kunnen we dat wel, en missen we zo niet de ware gemeenschap met anderen, of met de samenleving om ons heen?

In zijn geweldige boek A Secular Age (2007) zegt Taylor het zo: „Dit verlies van betekenis is specifiek voor een moderne identiteit, waarvan de onkwetsbaarheid het risico met zich meebrengt dat het weliswaar vrij is van bedreiging door boze geesten, maar het gevaar loopt dat helemaal niets meer van enige betekenis is.”

Helemaal niets? Kom er maar weer in, Rutger...

Castricum zegt in Het Parool ook dat hij behoefte heeft zich af te zetten tegen onechtheid en hypocrisie. „Ik vind het saai om bij een verjaardag in een kringetje te gaan zitten, taart te eten en daar niks van te zeggen.” Hij benoemt zoiets liever.

Die typische combinatie van behoeften – enerzijds de ongein en de wens om niks serieus te nemen, anderzijds de hang naar eerlijk ‘benoemen’ – maakt duidelijk hoe tweeslachtig de ‘hufterigheid’ van het huidige Nederland is. Alles kan doelwit zijn van spot, maar tegelijk willen we ‘echt’ zijn en weten dat ons hart op de juiste plek zit. Bij Paul de Leeuw zie je dat ook: alles is om te lachen, maar eigenlijk ook om te huilen. Cynisme en sentiment gaan naadloos samen.

Zúlke hufters zijn we dus ook weer niet, of willen we niet zijn. In elke hufter schuilt een halve heilige: wars van hypocrisie, naarstig op zoek naar echte vragen, en echte tranen. Ian Buruma heeft het al eens gezegd in zijn reportageboek over de moord op Theo van Gogh, Murder in Amsterdam (2005): lompheid is in Nederland bijna een morele deugd geworden.

Dat geeft aan dat de diagnose van verhuftering nooit de hele waarheid over de samenleving kan zijn. Aristoteles had gelijk: mensen blijven politieke en sociale wezens, die bemoeienis met en erkenning van anderen nodig hebben – ook om zichzelf te ‘ontplooien’. Die klagende buurman móét aanbellen, zodat jij tolerantie kan vragen voor je eigen herrie.

Politici en publicisten roepen nu alweer jaren om het hardst dat het hoog tijd wordt een ‘nieuw wij’ te maken, tegen de verhuftering. Maar dat ‘wij’ van oude en nieuwe Nederlanders komt er vanzelf wel. Waar het op aankomt, is ervoor te zorgen – met Aristoteles in gedachten – dat het geen superhufter wordt.