Verdwaald protest

Het lijkt een machtige massa die de Europese vakbonden vandaag in Brussel op de been hebben gebracht. Maar de circa honderdduizend betogers tegen het bezuinigings- en hervormingsbeleid dat bijna overal in Europa op de agenda staat, is eigenlijk niet veel meer dan een theekransje.

De bescheiden omvang van het vakbondsprotest zegt iets over de maatschappelijke verhoudingen. Door differentiatie en individualisering op de werkvloer, door globalisering van productielocaties en de daaruit voortvloeiende lagere ledentallen boet de vakbeweging al langer aan gewicht in. Maar de kredietcrisis heeft die ontwikkeling kennelijk niet gekeerd.

De demonstratie in Brussel is ook om een andere reden een machteloos gebaar. Ze vervoegt zich bij het verkeerde adres. De vakbonden wekken ten onrechte de indruk dat het de EU is die het saneringsbeleid in de lidstaten afdwingt en dat deze politiek in Brussel teruggedrongen kan worden.

In Brussel is momenteel de stabiliteit van de euro aan de orde en daarmee onvermijdelijk ook de toekomst van allerlei sociaal-economische arrangementen. Maar de volgorde is toch echt dat de euro dit jaar door de lidstaten in de gevarenzone is gebracht en niet door het apparaat in Brussel.

Het waren sommige lidstaten, Duitsland en Frankrijk in 2005 voorop, die als eerste een loopje namen met de eisen uit het Stabiliteitspact voor de gemeenschappelijke munt. Het zijn de lidstaten, zoals Griekenland en Spanje, die door hun schuldenlast aanleiding gaven voor de bijna-crisis met de euro dit voorjaar.

Dat er op Europees niveau wordt gewerkt aan betere regels voor de budgettaire normen en vooral de handhaving ervan ligt voor de hand. De verwarring rond de euro eerder dit jaar, toen er traag en niet altijd even coherent werd ingegrepen, is niet vatbaar voor herhaling. De euro is een project dat moet slagen. Zo niet dan doemt een diepe regressie op voor zowel de gemeenschappelijke markt als de politieke samenwerking.

Maar uiteindelijk zijn het wel de lidstaten die op nationaal niveau de consequenties moeten dragen. En wel door hun overheidsfinanciën in balans te brengen conform de oude en eventuele nieuwe richtlijnen. Omdat die staatshuishouding niet overal in Europa in gelijke mate uit evenwicht is, is het logisch dat het ene land harder zal moeten ingrijpen dan het andere. Nog onvermijdelijker is het dat zwakkere lidstaten deze last niet afwentelen op de sterkere.

Het idee om overtreders van de euronorm tot de orde te roepen met automatische sancties, een middel om politieke vertragingstactieken van de daders te voorkomen, kan dat gevaar afwenden. Maar ook dat ontslaat de nationale staten niet van de plicht hun huishouding op orde te houden.

Het is vanzelfsprekend dat er over de manier waarop die overheden dat doen, politieke strijd wordt gevoerd en dat vakbonden daarbij een rol opeisen. Maar de vakbeweging doet er wel goed aan daarbij geen rookgordijn op te trekken. Als het om bezuinigingen en hervormingen gaat, moet ze zich toch echt primair tot de nationale overheden wenden.