Veel ruggenprikken is nog geen goede zorg

Niet de baring zonder ruggenprik is achterhaald, maar het weigeren van het verzoek. En dat is zorgelijk, want de ruggenprik kent ook nadelige effecten, stelt Joris van der Post.

Nederland zou de bevalling zonder pijnbestrijding achter zich laten met een vermeende verdrievoudiging van het aantal ruggenprikken in de afgelopen tien jaren (NRC Handelsblad, 25 september). Cijfers van de landelijke perinatale registratie van de ziekenhuizen laten ook een andere conclusie toe. De ruggenprik neemt inderdaad toe, maar vooralsnog wijst de Landelijke Verloskundige Registratie in de ziekenhuizen (LVR2) uit dat het percentage ruggenprikken in ziekenhuizen in vijf jaar tijd is verdubbeld, van 10 procent in 2005 naar 19 procent in 2009. Dat is inclusief alle keizersneden. Het percentage opiaten dat werd ingezet als pijnbestrijding is gestegen van 13 naar 18 procent. Wanneer de keizersneden niet worden meegerekend, betekent dit dat in de ziekenhuizen nog altijd meer dan de helft van de vrouwen zonder pijnbestrijding bevalt. Tel je daarbij de thuisbevallingen op, dan bevalt de overgrote meerderheid van de Nederlandse vrouwen zonder pijnbestrijding.

Interessanter dan deze percentages zijn de verschillen tussen de ziekenhuizen. De percentages ruggenprikken variëren tussen 0 en 37. Hoe de spreiding precies is, nadat de richtlijn pijnbestrijding is ingevoerd, is nog niet bekend, maar dat er grote verschillen bestaan, is zeker, ook tussen ziekenhuizen die 24 uur per dag de prik aanbieden.

Wat is nu goede verloskundige zorg? Het is bewezen dat een continue begeleiding tijdens de bevalling, door een zorgverlener die niet wijkt van de zijde van de barende, de behoefte aan pijnbestrijding en de kans op complicaties sterk vermindert. Een hoog percentage aan ruggenprikken is dus geen maat voor goede zorg. Een laag percentage ook niet. Op dit moment wordt per ziekenhuis het aantal ruggenprikken overdag en in de nacht met elkaar vergeleken. Als er te veel overdag wordt gegeven en te weinig in de nacht, is de beschikbaarheid ’s nachts te laag.

Hoewel het een goede zaak is dat vrouwen zelf kunnen aangeven of en wanneer zij pijnstilling krijgen, is het toch belangrijk met wijsheid met het verzoek om te gaan. Pijnbestrijding kent namelijk ook nadelige effecten.

Een ruggenprik leidt in een enkel geval tot gevaarlijke complicaties, zoals een ademstilstand. Een minder ernstige, maar veel voorkomende complicatie is koorts bij de moeder en daardoor ook bij het kind. De koorts kan veroorzaakt worden door de ruggenprik, maar ook duiden op een gevaarlijke infectie. Voor de zekerheid wordt het kind in zo’n geval meestal opgenomen op de kinderafdeling en krijgt het antibiotica. Dat verstoort de hechting tussen moeder en kind, bemoeilijkt de borstvoeding en jaagt de kosten van de zorg op. Ook langdurige hoofdpijn na de bevalling komt na een ruggenprik nog wel eens voor.

Het morfinepompje met remifentanil wordt in enkele ziekenhuizen als alternatief voor de ruggenprik gebruikt, maar het is ingevoerd zonder dat de effectiviteit en de veiligheid voldoende zijn onderzocht. Dat gaat volgend jaar gebeuren in een grote landelijke studie. Voorlopig is voorzichtigheid geboden met het toedienen van opiaten per infuus.

Niet de baring zonder pijnstilling is achterhaald zo blijkt uit de cijfers, maar het weigeren van een pijnstillingverzoek. De vrouw zelf is degene die bepaalt of ze de risico’s van pijnstilling vindt opwegen tegen de pijn. Over die risico’s moet zij ruim tevoren goed zijn geïnformeerd. Tegelijkertijd is het aan de zorgverleners om onnodige ingrepen te voorkomen door voldoende begeleiding en alternatieven te bieden, zoals niet-medicamenteuze manieren om met de pijn om te gaan. Op dit moment kunnen ziekenhuizen nauwelijks voldoen aan de norm om één op één begeleiding te kunnen bieden op de verloskamers.

In de verloskunde gaat het niet om de bevalcultuur pur sang maar om de gezondheid van vrouwen en kinderen. Die is gediend met gemotiveerde zorgverleners en met een goede evaluatie van de zorg.

Joris van der Post is hoogleraar verloskunde Academisch Medisch Centrum Amsterdam.