Slaapster

Op het Amstelstation hesen zich twee Amerikaanse vrouwen van een jaar of zestig de trein in, daarbij geholpen door een toevallige passant, een Chinese jongen, die hun kolossale bagage dapper door de te nauwe deuropening perste.

Het waren twee trolleykoffers waarvan er een zó fors was dat er gemakkelijk een doormidden gezaagd lijk in kon passen, plus twee rugzakken. Travelin’ light heb ik altijd een aardig Engels begrip gevonden (goed liedje ook ooit van Cliff Richard), maar je ziet het in de praktijk zo weinig toegepast – en zeker door vrouwelijke Amerikaanse toeristen.

De grootste koffer werd, zoals het hoort, beheerd door de grootste vrouw, een waarlijke reus van vlees, gehuld in een jurk van zwart tricot en op haar hoofd een zwarte dophoed waar een rood lint omheen was gespannen. Het geheel was niet mooi, maar wel indrukwekkend.

Ze zocht met vrijwel alle bagage een plek aan het raam waar twee bankjes stonden. Tegenover haar zat een man in keurig kostuum te werken op zijn laptop, die hij op het tafeltje aan het raam had gezet. Ik zat aan de overzijde van het gangpad waar ik gezelschap kreeg van de andere vrouw, een veel tengerder persoon, geheel in het wit gekleed.

Ik keek op mijn horloge. We waren een kwartier te laat, gevolg van een NS-proef met meer intercity’s per uur. Alles heeft zijn prijs. Soms is vooruitgang een vorm van stilstand, vooral bij de NS.

Terwijl de trein Amsterdam verliet, kon ik mijn ogen niet afhouden van de taferelen die zich twee meter van mij vandaan voltrokken.

De reusachtige vrouw begon aan iets wat haar favoriete tijdverdrijf leek: eten. Eerst een gevulde koek, toen een banaan. Ze bood haar vriendin tegenover mij niets aan, alsof ze wist dat de reactie toch afwijzend zou zijn.

Toen ze voorlopig uitgegeten was, legde ze haar benen op de kleinste koffer, terwijl ze met haar bovenlichaam onderuitzakte op de bank. Haar roodgelakte tenen staken uit haar slippers en bevonden zich nu dichtbij het gezicht van de werkende man. Hij deed of hij niets merkte en tikte moedig door.

We waren net voorbij Utrecht toen er uit deze berg vrouwelijk vlees een gestaag gesnurk opklonk met een geheel eigen toonkarakter, inclusief plotse afwisselingen in de hogere en lagere registers. Ik zag inmiddels van haar alleen nog maar een opbollende maag en die zwarte hoed met rood lint die ze op had gehouden.

Nog opmerkelijker was de houding van de man. Hij wierp af en toe een korte blik op het schouwspel voor hem, maar deed verder of het hem niets aanging.

Alleen de vriendin van de vrouw toonde zich nogal verlegen met de situatie. Ze zond me nu en dan een meewarige ik-kan-het-ook-niet-helpen blik toe en verdiepte zich dan weer in haar boek.

Zo reisden we verder. We staken de Waal en de Maas over – twee plekken waar Nederland zo mooi is – maar de Amerikaanse zou het nooit te zien krijgen, voor haar bleef Nederland altijd een droom. In Den Bosch moest de noeste laptopwerker eruit. De tengere vrouw ging op zijn plaats zitten, maar de grote slaapster bleef doorzagen. De vriendin nam snel een foto van haar – subtiele wraak of bewijs van affectie?

Bij het uitstappen in Eindhoven hielp ik de vrouwen met hun koffers, al was ik minder ijverig dan die Chinese jongen.