Schijnzekerheden van renteniers

Wij hebben niet het vaagste vermoeden wat de economie van 2011 ons gaat brengen. Pensioendeskundigen en economen mogen elkaar in de kolommen om de oren slaan met hun opvattingen en stelligheden over renteontwikkelingen en historische analogieën, maar het zijn op zijn slechtst poses, op zijn best schijnzekerheden.

Nu is een leven waarin iedereen het erover eens is dat we geen idee hebben over de toekomst ondenkbaar. Zonder een bepaalde verwachting over de dingen die gaan komen, is menselijk handelen zinloos en hoeft niemand ’s ochtends het bed nog uit te komen. Bovendien, er zijn wel degelijk strategieën te bedenken voor een onzekere wereld. Een klein land kan bijvoorbeeld in goede tijden wat extra sparen om slechte jaren op te vangen. Begrotingsoverschotten bepleitte Keynes een kleine eeuw geleden al. De meeste Keynesianen wilden dat helaas nooit weten, zodat alleen die andere helft van het verhaal – begrotingstekorten in slechte tijden – is blijven hangen.

Het gevolg is dat alle westerse landen nu te krap bij kas zitten en dat het knap spannend wordt: worden we door economische groei verlost van alle kwaad, gaan we in een sukkelgang begeleid door veel maatschappelijk ongenoegen verder of komt er een nieuwe klap?

Vorige week verhuisde het kippenvel van Portugal naar Ierland. Daar bleek de recessie een stuk ernstiger dan verwacht en werd het benauwd of de Ieren hun leningen nog kunnen betalen. Over Spanje haalde iedereen even opgelucht adem, want premier Zapatero loodste een ombuigingspakket met succes door het parlement. Maar het zijn allemaal dagkoersen, incidenten.

Of niet? Het Internationaal Monetair Fonds schrijft in een verse analyse dat we ons over een failliet van staten niet zo druk meer hoeven te maken. Zulke deconfitures zijn „onnodig, onwenselijk en onwaarschijnlijk”. Dat is een geruststellende gedachte.

Maar Willem Buiter, tegenwoordig chef-econoom bij Citicorp, veegt met zijn IMF-collega’s de vloer aan. Ze hebben slecht economisch huiswerk geleverd, en dat ook nog „gebaseerd op simplistische politieke economie”.

Buiters tegenwerpingen zijn van een onthullende eenvoud, zo eenvoudig dat je kennelijk een hoogvliegende econoom moet zijn om het niet te zien. Het IMF heeft becijferd wat er nodig is om de overheidstekorten te pareren en becijfert dat het ook kan. Dat zijn de solvabiliteitssommetjes. Maar, aldus Buiter, als je een beetje om je heen kijkt, dan zie je dat in alle westerse landen de druk toeneemt om overheidsuitgaven te handhaven. Een overheid die tegen die stroom in roeit, kan weleens buiten adem raken. Bovendien zie je politieke polarisatie in de meeste landen snel toenemen. Dat maakt compromissen over een redelijke verdeling van de pijn lastiger. En dan is er ook nog de beperkte ruimte om overheidsgaten met belastingverhogingen aan te zuiveren. Belastingontwijking is een bijproduct van de globalisering en nationale staten lopen gemakkelijker dan vroeger tegen hun belastinglimieten op. Dus blijven fikse kortingen op ambtenarensalarissen en het intrekken van subsidies voor de middenklasse de gemakkelijkste maatregelen. Maar welke regeringen hebben daar veel zin in?

Nu de stabiliteit van banken zo sterk is verbonden aan het wel en wee van staten, zie je financiële analisten zich steeds frequenter buigen over staten. Dat heeft soms wel iets komisch, want ze kijken naar staten als naar bedrijven. Met balansen, met solvabiliteitsratio’s, met synergiewinsten en wat dies meer zij. En met handelende personen die de baas zijn en op verhoudingsgetallen sturen. Maar staten zijn geen bedrijven, handelende personen sturen er op basis van kiezers en kiezers brengen te pas en te onpas hun stem uit en trekken zich doorgaans niets aan van die verhoudingsgetallen.

Met andere woorden: we zijn deze jaren getuige van een reusachtig maatschappelijk aanpassingsproces aan een veranderde verhouding in de wereld. Of dat netjes en geleidelijk gaat of dat het de spankracht van de samenleving te boven gaat, weet niemand. De vroegere Franse premier Balladur zei het in Le Monde van zaterdag zo: „Wij, Europeanen, hebben in feite eeuwenlang als de renteniers van de wereld geleefd, onze welvaart en ons sociaal model zijn gebouwd op economische dominantie, waarvan wij wisten te profiteren. Dat is afgelopen, we hebben stevige concurrentie gekregen van Brazilië, India, China”.

Voor Europese landen is dit een hard gelag. Niet omdat ze machtsaspiraties in de wereld zouden koesteren, maar omdat ze na de oorlog hun democratische legitimatie bovenal hebben gevonden in de opbouw van verzorgingsstaten. Als dat moet worden afgebroken, wat voor legitimatie komt er dan voor in de plaats?

Europese landen passen zich aan – en wat het IMF betreft lukt dit dus waarschijnlijk ook. Maar minstens zo relevant voor de uitkomst is wat er inderdaad elders gebeurt. Amerika polariseert, de werkloosheid blijft er met 10 procent pijnlijk hoog en de stemming neigt in ijltempo richting protectionisme. De budgetcommissie van het Amerikaanse Congres eiste in unieke eensgezindheid vrijdagavond nog actie van de president tegen China, omdat het zijn munt kunstmatig laag houdt en daarmee in feite de eigen export beschermt tegen buitenlandse concurrentie. Een paar maanden geleden wist iedereen nog zeker dat de wereld de lessen van de Grote Depressie goed had geleerd – geen nieuwe handelsoorlogen meer. Maar wie durft dat nu nog met zekerheid te zeggen?

Een handelsoorlog met China verandert een paar data in de prognosemachinerie. De schijnzekerheid van vandaag wordt dan de onzin van gisteren.

We weten het eigenlijk ook wel. Maar economen zetten je graag op het verkeerde been. Alsof in die sector de vaardigheid ontbreekt om stelligheden aan te lengen met het vocabulaire van de gepaste scepsis.