Rechts weet wat het wil, links denkt na

Dat rechtse kabinet komt er, maar had links ooit een kans gemaakt – niet qua zetelaantal, maar qua visie? Welke verrassende, overtuigende ideeën en voorstellingen van de wereld had links voor ons in petto gehad? Wat gaan we in wereldbeschouwelijke zin missen nu rechts aan de macht komt? Welke vergezichten moeten wij de komende tijd ontberen?

Om dit te achterhalen ging ik naar de Abel Herzberglezing van Alexander Pechtold, afgelopen zondag. Pechtold is links-liberaal, hij heeft dus een uitstekende positie om een nieuw wereldbeeld te schetsen. Bovendien was hij altijd een bezield en onvermoeibaar bestrijder van Wilders. Waar anderen meegingen in de hysterie, bleef hij kalm en koel, met die zware, neerhangende oogleden in een vastberaden kop die soms wel lijkt gebeeldhouwd.

Om half vier ’s middags begon hij te spreken. Ik maakte driftig notities, ik wilde letten op de opbouw, hoe de ontknoping stukje bij beetje in het vooruitzicht werd gesteld, hoe de spanning werd verhoogd, hoe de onvermijdelijke apotheose als een bekkenslag de zaal zou doen trillen.

Pechtold opende met de mededeling dat we analyse en inlevingsvermogen nodig hebben: „In combinatie met vertrouwen. Want vertrouwen is het cement van onze samenleving. Als dat afbrokkelt, ontstaan gevaarlijke scheuren in het sociale bouwwerk.”

Het was pas het begin, dacht ik, het komt nog.

Hij wantrouwt een beleid dat gebaseerd is op wantrouwen, zei hij vervolgens. De polarisatie is helemaal terug, merkte hij op. Dat is op zich niet erg, zei hij: „Maar als polarisatie gepaard gaat met stigmatisering en uitsluiting, met verruwing en vergroving – alles onder het mom van vrijheid van meningsuiting – dan wordt het een heel ander verhaal.”

Juist, een heel ander verhaal, nu zou hij ons dat andere verhaal vertellen.

Maar dat deed hij niet.

Hij zou eerst een tour d’horizon geven en hij vertelde over de spreekbeurt die burgemeester Ken Livingstone van Londen hield na de aanslag in juli 2005. Een gedurfde spreekbeurt, zei hij, omdat hij niet opriep tot oorlog, zoals men in Nederland bijna wel deed na de moord op Theo van Gogh, maar juist wees op de waarde van diversiteit. Maar de hysterie van de Nederlandse politiek in november 2004 liet Pechtold onvermeld, waardoor de durf van Ken Livingstone niet tot z’n recht kwam.

Hierna begon Pechtold over Bloomberg in New York, die migranten niet ziet als het probleem van de stad, maar als de oplossing. Van Bloomberg ging hij naar Obama, die nu zo belaagd wordt door een allegaartje van boze blanken, homo- en islamhaters en anti-abortusactivisten.

Al bladerend door zijn inspiratiebronnen kwam Pechtold op Lula van Brazilië, de gematigde bruggenbouwer die zelf de lagere school niet afmaakte, maar veertien nieuwe universiteiten heeft gesticht.

Dat van die veertien universiteiten wist ik niet, maar tegen wie dacht Pechtold dat hij sprak? Was dit een les maatschappijleer aan kinderen uit Kiel-Windeweer? Ik keek de zaal in. Het publiek vertoonde een grote diversiteit. Niet naar etniciteit, zoals ik gehoopt had, maar naar leeftijd; ook al was aangekondigd dat het zou gaan over de groeiende onvrede, de afkalvende tolerantie en het toenemende wantrouwen in het land.

Maar niemand keek ontevreden en Pechtold kabbelde voort, met als enige kwinkslag dat hij van de zomer buitenlandse kranten las en schrok van de eigenschappen die men Nederland toedichtte: ‘dirty’, ‘mean’ en ‘cruel’. Gelukkig hadden deze kwalificaties betrekking op het voetbal van het Oranje-elftal.

Een uur was nu voorbij en Pechtold zei ineens: „Het Nederland zoals we dat gekend hebben, bestaat niet meer. Het politieke midden is weggeslagen. We krijgen een kabinet dat uit is op polarisatie en stigmatisering. Dat is uniek in onze geschiedenis.”

Maar wie wist dat nog niet in Nederland? Was Pechtold ineens een soort reisleider die aan toeristen uit Yokohama een rondleiding gaf door de Haagse binnenstad?

„De nationale politici lijken geen antwoord te hebben”, vervolgde Pechtold. Even leek het op een bekentenis, maar hij doelde op politici die hun toevlucht nemen tot populisme.

Goed, maar zij weten tenminste waar ze naar toe vluchten. Wij rennen in rondjes, meneer Pechtold, wijs ons de weg. En toen zei hij, een beetje plechtig: „We moeten nadenken. De westerse wereld staat op een tweesprong. Kiezen voor polarisatie en provocatie? Of voor toenadering en inlevingsvermogen? (…) Mijn uitgangspunt is dat normaal samenleven met al diegenen die ‘anders’ zijn, de enig begaanbare weg is. Maar dat alleen zeggen, overtuigt niet meer. De opdracht is met een alternatief te komen dat verder gaat dan de morele verontwaardiging alleen. (…) Een alternatief, dat mensen het geloof teruggeeft dat hun ongenoegen wordt gehoord.”

Juist, dat alternatief, verklap het alstublieft meneer Pechtold, wat is dat alternatief?

„Ik dank u voor uw aandacht”, zei hij.

Dit was het dus. Terwijl rechtse politici allang weten wat ze met Nederland aanwillen, moeten linkse politici nog diep nadenken. Alsof we alle tijd hebben.