'Pure filmkunst kan niet bestaan'

De kunstfilosofie van Jacques Rancière is toonaangevend. In twee onlangs vertaalde boeken buigt hij zich over film. „Cinema is de erfgenaam van de literatuur.”

„Film toont te veel”, zegt Jacques Rancière, nog sniffend van een zware verkoudheid, waardoor hij zijn bezoek aan Amsterdam bijna moest afzeggen. „Film is zo’n sterk medium dat het altijd tegen zijn eigen kracht in moet gaan en zichzelf beperkingen moet opleggen. Daarom kunnen sommige acteurs ook een grote carrière maken door heel weinig te laten zien.”

Dat film tegen zichzelf in moet gaan, is een van de leidende gedachten van de Franse filosoof, die momenteel toonaangevend is in het denken over kunst. Hij is in Amsterdam om de vertaling van twee van zijn studies luister bij te zetten: De fabel van de cinema en De toekomst van het beeld, verschenen bij uitgeverij Octavo. Zijn liefde voor cinema gaat ver terug. Hij omschrijft zichzelf als een enthousiast onderdeel van de generatie van cinefielen, die zich in de jaren zestig, ten tijde van de nouvelle vague op film stortten. Maar hij ging pas schrijven over film in de jaren negentig, uitgenodigd door de filmbladen Trafic en Cahiers du cinéma.

Nog een reden om de pen op te pakken was de verschijning van twee ‘monumenten’: de invloedrijke, tweedelige studie Cinéma van filosoof Gilles Deleuze en het achtdelige, op video gemaakte Histoire(s) du cinéma van Jean-Luc Godard. Met beiden heeft hij iets te verhapstukken. Rancière: „Deleuze is geen echte cinefiel. Het is buitengewoon lastig om met zijn concepten film te analyseren. De fascinatie voor zijn werk van veel mensen is meer een filosofische passie dan een filmpassie.”

Hij gelooft weinig van Deleuzes beroemde tweedeling in de filmgeschiedenis tussen het tijdperk van het ‘bewegingsbeeld’ – film die in het teken staat van causale verbanden, van actie en reactie – en van het ‘tijdsbeeld’, waarin de causale verbanden zijn opgelost; een filmkunst van onbestemdheid en tussenruimtes. Deleuze noemt de catastrofe van de Tweede Wereldoorlog als waterscheiding. Maar volgens Rancière gaat het hier vooral om twee verschillende manieren van kijken naar wat dezelfde beelden kunnen zijn. Bij Godard beschouwt hij de poging om het filmbeeld als een op zichzelf staand ‘icoon’ te beschouwen, zonder de verhalende context, als gedoemd te mislukken. De voorbeelden die Godard aanhaalt van onder meer Hitchcock ontlenen hun kracht juist aan die context.

De filmgeschiedenis staat voor Rancière in het teken van het streven naar filmkunst als pure ‘taal van het zichtbare’; een ideaal dat paradoxaal genoeg is ontleend aan de esthetiek van het realisme en het symbolisme in de literatuur. „Tegelijkertijd doet film het tegenovergestelde: film herstelt juist manieren van vertellen, personages met stereotype kenmerken en zelfs genres die in de literatuur al lang geëxplodeerd zijn.” Het onderscheid tussen film als ‘geïllustreerd verhaal’ en als taal van ‘pure visuele verhoudingen’ zal verdwijnen. „Het wordt steeds lastiger om daar een scherp onderscheid tussen te maken. ”

„Het valt heel moeilijk te zeggen wat pure cinema zou kunnen zijn”, meent Rancière. „Film erft de traditie van de realistische roman, van onder meer Flaubert, om met hele precieze beschrijvingen de dingen zelf te laten spreken, om helemaal op te gaan in zintuiglijke beleving. De concentratie op het tastbare en het visuele, en het loslaten van causale verbanden, begint in de negentiende eeuw in de literatuur, lang voordat film bestond.”