Dat pistool hoort in het Rijks

Het Rijksmuseum wil het wapen waarmee Pim Fortuyn is gedood tentoonstellen.

En terecht, want juist met dit soort voorwerpen wordt de geschiedenis tastbaar.

Het voornemen het pistool waarmee Pim Fortuyn is vermoord tentoon te stellen in het Rijksmuseum heeft tot een verbijsterende discussie geleid tussen de directeur, Wim Pijbes, en een lid van de raad van toezicht, Frits van Oostrom. Wat niet verbaast is de ambitie van het Rijksmuseum dit voorwerp in de collectie op te nemen.

Enige jaren geleden deed de aankoop van een schilderij dat de werkkamer van NSB-leider Anton Mussert had gesierd ook de nodige stof opwaaien, terwijl de aanschaf van het model van het slavernijmonument van Erwin de Vries en het bureau van Willem Drees geruislozer verliep. Verbazend was wel de afwijzing van het mes waarmee Theo van Gogh is omgebracht – meer dan het vuurwapen van een milieuactivist is dit voorwerp symbolisch voor de huidige radicalisering en polarisatie.

Ook pijnlijke episodes behoren in het museum voor Geschiedenis te worden opgenomen. Want dat verbaast echt: dat Frits van Oostrom de rol van het Rijksmuseum als Museum voor Kunst en Geschiedenis vertekent. De afdeling Geschiedenis afdoen als een dode letter in het negentiende-eeuwse statuut getuigt niet van enige kennis van de instelling waarvan Van Oostrom een van de hoeders zou moeten zijn. Kennelijk zijn de schitterende tentoonstellingen over Maurits, over onze relaties met de oosterburen, over Lodewijk Napoleon, de tentoonstelling Held, en enkele decennia geleden Nova Zembla, Willem van Oranje en nog talrijke andere tentoonstellingen, educatieve publicaties en kleine presentaties aan hem voorbijgegaan. Hij heeft kennelijk nooit gezien dat het stokje van Van Oldenbarnevelt, de boekenkist van Hugo de Groot en het stukje grond waar Willem III voet op Engelse bodem zette belangrijke plekken in de tijdelijke opstelling innemen. Een museum waar een van de belangrijke ambities juist een integratie van het geschiedkundige en het kunsthistorische verhaal is.

Een nog kwalijker tendens in het denken van Van Oostrom over het museum blijkt uit de uitspraak: „Je moet het publiek niet verwarren door iets anders te willen zijn. Het publiek komt voor Rembrandt en de schitterende collectie schilderijen uit de 17de eeuw.” In dat geval is de renovatie van het museum helemaal niet nodig, want dit is precies wat de huidige opstelling laat zien, hoewel Van Oostrom wellicht de boekenkist liever naar het nieuwe Nationaal Historisch Museum zou bonjouren, een museum van de hoogtepunten dat brengt wat een publiek niet verwart. Lastig dat het Rijksmuseum ook nog 19de eeuwse schilderijen heeft, en keramiek, meubels, mode, zilver – allemaal goede deelcollecties. De prenten, daar zitten gelukkig ook nog wat Rembrandts tussen, maar de overige honderdduizenden inventarisnummers zouden het publiek danig in de war kunnen brengen, om van de tienduizenden foto’s maar te zwijgen!

Een museum moet schokken, verwarren, verrassen, confronteren, verrukken, onbekende schatten herbergen die steeds door nieuwe generaties kunnen worden ontdekt. De geschiedenis wordt in het Rijksmuseum tastbaar door de authenticiteit en de veelzijdigheid van de voorwerpen. Dat moet zo blijven, dat hoort versterkt te worden. Pijbes is op de goede weg.

Winfred van de Put is oud-voorzitter van de ondernemingsraad van het Rijksmuseum.