Dat pistool hoort gewoon in het Rijks

Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, wil het pistool waar Pim Fortuyn in 2002 mee werd vermoord, in zijn vitrine. Frits van Oostrom, lid van de raad van toezicht, vindt dat niet vallen onder de taak van het Rijks. Twee artikelen en drie brieven over het pistool en over historische musea.

Het voornemen de revolver waarmee Pim Fortuyn is vermoord, tentoon te stellen in het Rijksmuseum heeft tot een verbijsterende discussie geleid tussen de directeur, Wim Pijbes, en een lid van de raad van toezicht, Frits van Oostrom. Wat niet verbaast is de ambitie van het Rijksmuseum om dit voorwerp in de collectie op te nemen en te zijner tijd te exposeren. Enige jaren geleden had de aankoop van een schilderij dat de werkkamer van Anton Mussert had gesierd, ook de nodige stof doen opwaaien, terwijl de aanschaf van het model van het slavernijmonument van Erwin de Vries en het bureau van Willem Drees aanzienlijk geruislozer verliep. Verbazend was Pijbes’ afwijzing van het mes waarmee Theo van Gogh is omgebracht. Meer dan het vuurwapen van een milieuactivist is dit voorwerp symbolisch voor de huidige radicalisering en polarisatie. Ook pijnlijke episodes in de geschiedenis horen in het museum voor Geschiedenis.

Waarschijnlijk uit retorische overwegingen vertekent Van Oostrom op een onwaarschijnlijke manier de rol van het Rijksmuseum als Museum voor Kunst en Geschiedenis. De afdeling Geschiedenis afdoen als een dode letter in het negentiende-eeuwse statuut getuigt niet van enige kennis van de instelling waarvan Van Oostrom in de raad van toezicht een van de hoeders zou moeten zijn. Kennelijk zijn de schitterende tentoonstellingen over Maurits, over onze relaties met de Oosterburen, over Lodewijk Napoleon, de tentoonstelling Held, en enkele decennia geleden Nova Zembla, Willem van Oranje en nog talrijke andere tentoonstellingen, educatieve publicaties en kleine presentaties allemaal aan hem voorbijgegaan. Hij heeft kennelijk nooit gezien dat het stokje van Oldenbarnevelt, de boekenkist van Hugo de Groot, de spiegel van de Royal Charles en het stukje grond waar Willem III voet op Engelse bodem zette belangrijke plekken in de tijdelijke opstelling innemen. Een museum waar een van de belangrijke ambities voor de nieuwe opstelling juist een integratie van het geschiedkundige en het kunsthistorische verhaal is.

Nog kwalijker is het idee van Van Oostrom dat het publiek alleen voor ‘Rembrandt en de schitterende collectie schilderijen uit de 17de eeuw’ zou komen. In dat geval is de renovatie van het museum helemaal niet nodig, want dit is precies wat de huidige tijdelijke opstelling, prettig gecondenseerd, laat zien, hoewel Van Oostrom wellicht de boekenkist, het stokje en de spiegel liever naar Arnhem zou bonjouren.

Lastig ook dat het museum ook nog een hoeveelheid negentiende-eeuwse schilderijen heeft, en keramiek, meubels, mode, zilver – allemaal goede deelcollecties. De prenten, daar zitten gelukkig ook nog wat Rembrandts tussen, maar de overige honderdduizenden inventarisnummers zouden het publiek toch danig in de war kunnen brengen, om van de tienduizenden foto’s maar te zwijgen! En de Aziatische kunst, wat moet het publiek daar dan mee?

Een museum moet schokken, verwarren, verrassen, confronteren, verrukken, onbekende schatten herbergen die steeds opnieuw door nieuwe generaties kunnen worden ontdekt. De geschiedenis wordt in het Rijksmuseum tastbaar, niet door multimediaal geweld maar door de authenticiteit en de veelzijdigheid van de voorwerpen. Dat hoort versterkt te worden.

Winfred van de Put is oud-voorzitter van de ondernemingsraad van het Rijksmuseum.