Onderzoek rare afwijking op scan is zelden nuttig

Wie zich zonder medische klachten laat scannen in een CT-scan of MRI-machine, heeft een kans van 1 op 2,5 dat een arts iets ‘afwijkends’ ziet. Bij 1 op de 40 vindt de beoordelend arts het zo verontrustend dat hij nader onderzoek adviseert. Uiteindelijk heeft dat voor heel weinig mensen (1 op de 250) een heilzaam effect. Bij hen wordt bijvoorbeeld een levensbedreigende niertumor gevonden en op tijd weggehaald. Aan de andere kant: 1 op de 500 mensen komt er slechter uit. Op een scan van een vrouw waren bijvoorbeeld verdachte plekken rond de baarmoeder en eierstokken te zien. Nader onderzoek leverde geen zekerheid en uiteindelijk haalde de chirurg baarmoeder en eierstokken helemaal weg. Waarna er goedaardige cysten en een onschuldig baarmoedergezwel aanwezig bleken te zijn.

De voorbeelden en cijfers staan in een gisteren uitgekomen artikel in de Archives of Internal Medicine. Onderzoekers van de Mayo Clinic in Rochester, Verenigde Staten, beschrijven daarin hoe het drie jaar later gaat met mensen die zich gezond voelden en meededen aan medisch-wetenschappelijk onderzoek en daarvoor een scan laten maken. In feite geldt hetzelfde voor mensen die zich tijdens een medische check-up laten scannen.

Het onderzoek is bedoeld om betere protocollen te kunnen schrijven bij beeldvormend wetenschappelijk onderzoek. Onderzoekers moeten van tevoren zeggen óf ze naar die ‘toevallige bevindingen’ zoeken en welke ze wel of niet aan de deelnemers melden. Mensen die een check-up laten doen zijn afhankelijk van wat de artsen van het onderzoeksinstituut melden.