Meer dan alleen een tiran

Karel de Grote was méér dan een machtsbeluste koning die leefde van oorlogen.

In zijn rijk bloeiden onderwijs en cultuur, zegt mediëvist McKitterick.

Praat met Rosamund McKitterick en dan wordt Karel de Grote (747-814), Frankisch keizer uit lang vervlogen tijden, een voorloper van de moderne bestuurscultuur.

Met haar lange wilde haren lijkt McKitterick zelf een beetje middeleeuws, maar ze is gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis in Cambridge. Vorige week kreeg ze de Heinekenprijs, à 150.000 dollar, die tweejaarlijks wordt uitgereikt aan vijf wetenschappers van verschillende disciplines. McKitterick krijgt de prijs voor haar vernieuwing van het beeld van Karel de Grote en het Frankische rijk in de achtste en de negende eeuw – een tijd die vaak smalend de Donkere Middeleeuwen wordt genoemd.

Karel had volgens McKitterick echt een gevoel van verantwoordelijkheid voor het grondgebied en de bevolking. „Koningschap was niet alleen maar kale macht. Daar kan je cynisch over doen, maar zo was het wel.”

Dat was iets nieuws van de Karolingen. Bij de eerdere Frankische koningen bestond dat nauwelijks. En Karels uitgangspunt dat macht ook verantwoordelijkheid betekent, is nooit meer verdwenen uit de westerse politiek, zegt McKitterick, „al is er natuurlijk ook vreselijk machtsmisbruik geweest”.

Wat voor heerser was Karel dan? Iemand als Tony Blair, of toch meer Saddam Hoessein?

„Een beetje van allebei. Hij was natuurlijk ook een archetypische tiran, een alleenheerser met een zeer sterke wil. Hij ging soms heel raar met zijn kinderen om. Zijn derde zoon, Karel de Jongere, hield hij bijvoorbeeld altijd bij zich. Die is nooit getrouwd.

„En ja, Karel ging ieder jaar op krijgstocht. Maar heel opvallend: geen enkel paleis van hem was versterkt. Dat wijst niet op een man die leeft voor de oorlog. En zijn christelijk geloof lijkt oprecht. Hij had een eigen gebedenboek en bemoeide zich bijvoorbeeld intensief met de kerkelijke gezangen. Hij liet een gezaghebbende uitgave van het Nieuwe Testament maken.”

In de traditionele geschiedschrijving gold Karel ook als een groot bestuurder en machtig keizer, maar in de kritischere moderne geschiedschrijving wordt dat beeld meestal afgedaan als karolingische propaganda. Karel de Grote wordt meestal niet erg serieus genomen, hooguit imiteerde hij een beetje de Byzantijnse keizer, diep in zijn hart zou hij een soort wilde Germaanse Frank zijn.

De kracht van McKitterick is dat zij een deel van Karels oude status herstelt, met kracht van argumenten. „Het rijk van Karel de Grote wordt gezien als een vlam in de pan. Een flinke flits in een donkere periode en verder zou er niks gebeuren.” McKitterick ziet het anders. Het was niet donker. En Karels rijk was geen flits.

Eerst die duisternis. McKitterick vertelt dat de schriftelijke cultuur juist heel sterk was in dat grote rijk. Niet dat de meeste mensen konden lezen en schrijven, maar „het waren echt niet alleen een paar monniken die dat konden.”

Zij kan het weten. Haar grootste faam ontleent McKitterick aan een minutieuze studie van karolingische oorkonden. „Daar is alles bewaard gebleven, achthonderd oorkonden, waaronder ook contracten tussen leken onderling. Ook contracten van vrije boeren.”

Uit die analyse bleek hoe vanzelfsprekend en belangrijk schriftelijke verslaglegging was. McKitterick schreef erover in het boek waarmee ze bekend werd: The Carolingians and the written word (1989).

En mede omdat Karel overal scholen liet stichten, verdween deze schriftelijkheid niet meer. Het was dus geen korte flits. „De Karolingen bepaalden de traditie voor de latere heersers in de middeleeuwen. Met de kanselarijen en met het idee dat het recht bepalend moet zijn voor de gang van zaken in een koninkrijk.”

Ook werd in Karels scholen de basis gelegd voor het onderwijssysteem dat tot in de negentiende eeuw bleef bestaan, met d nadruk op de artes liberales, zoals retorica, astronomie en muziek.

Maar er was meer licht in de duisternis. De molen kwam in zwang, er waren veel bloeiende steden (nieuwe steden als Dorestad, maar ook de oude Romeinse steden Bordeaux, Parijs en Trier), het Frankische staal was beroemd, en in Aken liet Karel een prachtige stenen kapel bouwen. „Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de economie veel dynamischer was dan altijd werd gedacht.”

Karel bouwde voort op het werk van zijn vader, Pippijn de Korte. Wat zou er zijn gebeurd als Pippijn al als kind was gestorven?

„Dan zou Europa veel meer verbrokkeld zijn gebleven. Dan was alles anders gegaan. Zo belangrijk waren deze mannen wel.”