Het eten in de gevangenis

Gevangenen hebben honger, stond gisteren in de krant. Het rantsoen is vastgesteld op zes boterhammen per dag en ‘een magnetronmaaltijd’ en dan zijn er nog twee stuks fruit. Daar houdt niet iedereen het op uit.

Zes boterhammen klinkt mij als een bijna niet weg te werken berg brood, maar ik heb makkelijk praten. Ontbijten met brood vind ik meteen al niet zo’n vreugde, ik eet liever yoghurt. Zou je dat ook kunnen kiezen in de gevangenis, dat je ’s ochtends yoghurt met fruit wilt, of havermoutpap of een zachtgekookt ei? Nee, waarschijnlijk. Ze zijn daar geen restaurant. In het stuk werd een officieel type geciteerd die zei dat gedetineerden in de gevangeniswinkel koekjes of chips konden kopen als ze zo nodig honger moesten hebben.

Niet elke gedetineerde kan dat en bovendien lijkt het een schrale compensatie. Het hoort natuurlijk bij gevangen zitten dat je een heleboel dingen niet kunt doen – niet buiten lopen, niet je vrienden zien. En niet kiezen wat je wilt eten. En het al helemaal nooit zelf kunnen klaarmaken.

Dat is niet voor iedereen een straf, sommige mensen maken überhaupt nooit hun eigen eten klaar en kiezen ook nooit wat ze willen eten. Die eten gewoon wat de kok des huizes heeft bedacht en als die kok ze vraagt: zou je willen kiezen dan zeggen ze: nee, bedenk jij maar wat. Ik vind alles lekker.

Maar dat laatste zeg je waarschijnlijk niet in de gevangenis. ‘Een magnetronmaaltijd’. Het woord alleen al.

Ik had er nooit zo aan gedacht, aan het eten in de gevangenis, maar nu ineens wel. Ik stel het me voor als min of meer vergelijkbaar met het eten in ziekenhuizen. Iets treurigs. Want zelfs die boterhammen zijn niet lekker, daar zit geen enkele serieuze echt naar brood smakende boterham bij, allemaal van die glibberige plakjes brood met plastic plakjes kaas.

Iedereen weet hoeveel vreugde eten kan geven, als het lekker is en goed, en dan bedoel ik echt niet dat het altijd maar biefstukken en oesters moeten zijn, gewoon op een eenvoudige manier smakelijk, daar krijg je een goed humeur van. Maar eten dat niksig smaakt, lijmerig, ongeïnspireerd, daar word je miserabel van.

Laatst at ik bij mijn vader en die zei handenwrijvend wat we aten: kabeljauw in botersaus, een aardappeltje en een tuinboontje erbij. Zo eenvoudig als maar kan. En ik handenwreef ook, want ik weet: als mijn vader dat klaarmaakt, dan is het gewoon écht lekker. Hij doet dat namelijk zo:

Kabeljauw in botersaus (voor 2 personen)

  • 4 ons kabeljauw
  • flinke klont boter (ong. 30 g)
  • stukje wit van prei
  • 1 sjalotje
  • 1 laurierblad
  • 1 maggiblokje
  • 1 glas droge witte wijn
  • 2 el maïzena
  • evt. fijngehakte dille

Snijd dunne ringetjes van de prei en hak het uitje fijn. Laat een flinke klont boter smelten in een pannetje. Doe daar het glas wijn bij en een scheutje water en het maggiblokje. Als dat kookt, pak je een garde en slaat er met de garde de maïzena door. Nu gaan de ui en de prei en een laurierblaadje bij de lichtgebonden saus, met wat peper en zout. En de stukken kabeljauw natuurlijk. Heel zachtjes laten stoven met een deksel op de pan, het vocht moet af en toe ‘bloeb’ zeggen, meer niet. Duurt een kwartier of twintig minuten. Dan is de kabeljauw zacht en net gaar en dan eet je hem op, met die saus en het intussen gestoomde aardappeltje en de tuinboontjes (diepvries, kort koken). Eventueel wat fijngehakte dille over de vis. Glaasje wijn erbij.

Maar zo koken ze niet in de gevangenis.