Een trotse snor

In één weekend ben ik hem twee keer tegengekomen en nu geloof ik heilig in zijn glorieuze terugkeer: de snor.

De snor is toch alweer geruime tijd een haast uitgestorven fenomeen. We kennen snorren van vroeger, zoals getoond op statige sepia foto’s: de walrussnor, de snor met gedraaide puntjes, de snor die uit twee schuine delen bestaat, het gecoiffeerde dunne snorretje. Dit zijn allemaal chique snorren, die worden gecomplementeerd door een glanzende hoge hoed, een monocle en beginnende syfilis. Maar ergens, gaandeweg, begon de teloorgang van de snor. Zijn imago veranderde. Waar mannen in de jaren ’70 en ’80 nog hoopten dat een snor ze een bepaald gezag zou geven, bleek dat in de jaren daarna steeds meer een illusie. Uiteindelijk stond de snor voornamelijk voor suf en ouwelijk (de besnorde christelijke buurman met mosgroene trui die vrolijk „Houdoe!” roept) of juist vies (van de woonwagenbewoner met een vlassig snorretje tot een louche Duitse pornoster uit de jaren ’80).

Ik heb mijn vrienden nog nooit met een snor gezien. Wat ik altijd enigszins jammer vond: als je de mogelijkheid hebt tot allerhande gezichtsbeharing, kun je het tenminste eens uitproberen. Aan de andere kant: weinig mensen hebben die onderkoeld-machtige „Komm mal hier bei Günther, Schätzchen...”-uitstraling die een vereiste is voor een geslaagde Duitse pornosterrenlook. Wel hebben veel mannen in mijn omgeving een baard, wat vast iets te maken zal hebben met de moderne mannenangst dat ze hun testosteron aan het verliezen zijn.

Maar dit weekend zag ik dus twéé snorren. De eerste bevond zich onder de neus van een jongen in de twintig die naast me in de trein zat en die ik dus nauwkeurig kon bestuderen. Zijn snor was recht en blond, de jongen droeg duur uitziende puntschoenen en een strakke leren jas. Na enig nadenken besloot ik: dit is een ironische snor. Een verwijzing naar De Foute Snor: de schmutzige pornosnor, maar ook de snor die symbool staat voor aso’s in groezelige witte hemdjes met opgeschoren haar en matjes.

De dag daarna ontmoette ik nog iemand met een snor, een charmante man van eind dertig in een net pak. Deze snor was van een ander kaliber: stijlvol, iets borsteliger. Ik vroeg aan de man of hij ook dacht dat snorren weer terugkwamen. „O ja”, zei hij. „Niet de ouderwetse snorren met puntjes, maar wel de Engelse snor. Gesoigneerd.”

Natuurlijk zijn twee snorren nog niet genoeg voor een diepgravende wetenschappelijk onderbouwde modevoorspelling, maar ik geloof erin: binnenkort loopt het mannelijke deel van Nederland weer met een trotse snor rond. En komt er ook zoiets als een moderne snor: met streepjes ertussenuit geschoren zodat het blokjes worden, of kunstig geëpileerd. Misschien zijn dat de snorren die weer een onderkoeld-machtig gezag zullen uitstralen.

Renske de Greef