Een journalist - en hoe

Murray Sayle is dood. Murray wie?

Murray Sayle: journalist en avonturier.

Overleden in Sydney, Australië, 84 jaar oud.

Zijn naam kwam me nog maar vaag bekend voor, toen ik gisteren de uitgebreide necrologieën in de Engelse en Amerikaanse kranten zag. Niettemin: zelden zoveel interessants gelezen over een leven dat voor mij nauwelijks bestaan had.

„Een grote man, met een borst als een ton en een gezicht als een bijl, met een gebroken neus en een sardonische grijns – Murray Sayle was een van de briljantste journalisten van zijn generatie”, schreef The Independent.

Alles wat een journalist nodig had, spotte Sayle ooit, was enige literaire vaardigheid en een ratachtige sluwheid. Hij deelde de journalisten in twee categorieën in: zij die liever aan het bureau zaten en zij die er graag op uitgingen. Hijzelf behoorde tot die tweede categorie – en hoe. Als een gesjeesde student psychologie stapte hij de journalistiek van zijn geboorteland Australië in. Lang hield hij het daar niet uit. Hij trok naar Londen, als zoveel jonge Australische intellectuelen: Germaine Greer, Philip Knightley en Clive James. Hij werkte er eerst voor een schandaalblad, verkocht een poosje encyclopedieën in Duitsland en schreef een geruchtmakende roman over de pers in Fleet Street: A Crooked Sixpence.

Terug in Londen kreeg hij de journalistieke kans van zijn leven bij de The Sunday Times van de legendarische hoofdredacteur Harold Evans. Hij versloeg de Vietnam-oorlog, beklom de Mount Everest, zeilde in z’n eentje over de Atlantische Oceaan en ontdekte op reportage dat Che Guevara van Cuba naar Zuid-Amerika was vertrokken. In Moskou wachtte hij bij het postkantoor net zo lang tot de Britse uitgeweken spion Kim Philby zijn brieven kwam ophalen.

Hij had een praktische en aanbevelenswaardige theorie over journalistiek: de journalist moet op zoek naar het Verhaal Achter Het Verhaal. Journalisten, zei Sayle, zijn bij een gebeurtenis of verschijnsel geneigd allemaal achter elkaar aan te hollen en hetzelfde verhaal te schrijven – maar er is altijd méér. Sayle leek wel eens een journalistieke stuntman, maar hij was in de eerste plaats een serieuze onderzoeksjournalist. Die instelling leidde, vreemd genoeg, in 1972 bijna tot zijn journalistieke ondergang. In dat jaar kreeg hij veel kritiek op zijn verslaggeving van Bloody Sunday, toen veertien demonstranten in Noord-Ierland werden doodgeschoten door Britse militairen. De demonstranten hadden eerst op de militairen geschoten, was de officiële lezing. Niets van waar, berichtte Sayle, de moordpartij was gepland. Zijn krant liet hem vallen en Sayle nam ontslag. Dit jaar gaf de Britse regering toe dat er ten onrechte op de demonstranten was geschoten – een spijtbetuiging die ook voor Sayle veel te laat kwam. Hij was in 1975 in Japan een nieuw leven begonnen als freelance-correspondent in een dorpje bij Tokio. Dertig jaar bleef hij daar met zijn (derde) vrouw en gezin. Hij schreef in The New Yorker een befaamd essay (Did the Bomb End the War?) waarin hij probeerde aan te tonen dat het niet de atoombommen waren die Japan tot capitulatie dwongen, maar de angst voor een Russische invasie.

Pas toen hij aan Parkinson bleek te lijden, ging hij in 2004 naar Australië terug.

Het zat er op.