De imam

Yassin El-Forkani is jongerenimam in roze polo en op leren slippers. Hij is 28 jaar. Meestal preekt hij in Slotervaart, in de El Oumma-moskee of de poldermoskee. Maar inmiddels vragen ook moskeeën buiten Amsterdam of hij wil komen. Hij doet het erbij, naast zijn werk als adviseur. Hij is geboren in Heerhugowaard en opgeleid in Marokko en Egypte, maar zijn hart ligt in Slotervaart, zegt hij. „Het is een plek met een mening. Er is hier altijd flinke discussie.”

Wie dacht dat imams altijd oude, wijze mannen met baarden zijn, heeft het mis. Marokkaanse jongeren luisteren liever naar iemand als El-Forkani. Ook de jongens die moeilijk te bereiken zijn, laat staan te beïnvloeden, komen naar de moskee als hij preekt. Hij preekt in het Nederlands. Dat maakt hem populair bij jongeren die vaak geen Arabisch meer verstaan zoals hun ouders. En hij heeft het over onderwerpen die hen bezighouden: schooluitval, vrijheid van geloof, de examens. „De moskee is niet alleen een religieus huis om te bidden. De moskee moet ook een maatschappelijke rol vervullen.”

El-Forkani ziet een flinke islam-revival bij jongeren. „Wilders is goede reclamemaker voor het geloof. Zijn uitlatingen zijn ongeloofwaardig, maar wekken veel interesse op.” Hij ziet hoe jonge moslims op zoek gaan. Geen probleem, vindt hij. Maar het kan doorschieten. Als ze anderen als afvalligen gaan beschouwen, wordt het gevaarlijk. El-Forkani heeft liever dat ze met hem praten dan met een geleerde in Saoedi-Arabië via internet. Hij wil dat ze kritisch nadenken. Jongeren vragen vaak aan hem wat de geleerden van een bepaalde kwestie vinden. „Dan zeg ik: ‘Wat ben jij een luie jongen. De islam wil geen automatische piloten. Wat vind jíj ervan?’”

Door stevig optreden van politie en de inzet van straatcoaches is de afgelopen jaren de criminaliteit in Slotervaart gedaald en zijn de meeste overlast gevende groepen uit elkaar gevallen. Maar gezinnen waar de kinderen om beurten de straat opgestuurd worden omdat er geen plaats voor hen is, zijn er nog steeds. Net als jongens die geen werk, geen adres, geen opleiding hebben en dus maar rondhangen. Er zijn ouders die hun kinderen niet in de hand hebben. En er zijn ook nog steeds criminele jongeren.

Natuurlijk moet er met die jongens en ouders gesproken worden over hun gedrag, vindt El-Forkani. Maar dat is alleen nuttig als je oog hebt voor hun religieuze overtuiging en hun cultuur. Hij geeft een voorbeeld. Een jongen van 12 verbiedt zijn zusjes om naar Spangas (jeugdsoapserie) te kijken. Dat vindt hij haram, slecht, verboden, volgens de islam. „Dat gedrag komt voor bij Marokkaanse jongens”, zegt El-Forkani.

„Ouders vinden het vaak goed dat hun zoon de islam serieus gaat nemen. Maar ze voelen ook dat hij niet de macht in het gezin moet grijpen. Die jongen moet begeleid worden in zijn religiositeit. Met zo’n kwestie kan je niet terecht bij een opvoedondersteuner van het Ouder- en kindcentrum.”