Steenbok

Terwijl ik in de hal van de bioscoop een kaartje voor de middagvoorstelling kocht, stapte er rechts van mij een vrouw op de caissière af. Ze hield de zwart-witte scherven van een stuk porselein omhoog.

„Kan dit van jullie zijn?” vroeg ze op nogal strijdvaardige toon. Ze was van middelbare leeftijd, kort en dik en eenvoudig gekleed.

De caissière haalde haar schouders op. „Hoezo?”

„Het zijn de stukken van een asbak. Ik vond ze op mijn stoep, hier tegenover. Ze stonden er vannacht mee te gooien.” Ze bedoelde de nacht van zaterdag op zondag. De bioscoop lag in een nauwe straat, aan de rand van de Amsterdamse binnenstad.

„Wij hebben geen asbakken”, zei de caissière, een jonge vrouw nog, „er mag hier niet gerookt worden.”

„Jullie hebben ook een bar en daar wordt gedronken en als de mensen naar huis gaan, beginnen ze bij ons rotzooi te maken.”

„De mensen blijven nooit lang na de voorstelling”, zei de caissière onbewogen. „Ik denk dat u zich beter tot de cafés in de buurt kunt wenden.”

Als ze daarmee de verontwaardiging van de ander wilde bezweren, had ze het burgerlijke onbehagen in dergelijke stadsbuurten flink onderschat. Het zijn buurten waar zowel gewoond als uitgegaan wordt, en het een lijkt zich steeds slechter met het ander te verdragen. Caféhouders willen royalere openingstijden en grotere terrassen, buurtbewoners eisen meer rust en minder rommel.

„We krijgen de laatste jaren steeds meer last van jullie bezoekers”, zei de vrouw. „Als je er wat van zegt, krijg je een grote bek.” En met een knikje naar mij: „Je mag eerst die meneer wel helpen, hoor.”

Daar was de caissière al mee bezig, maar ze had nog wel tijd om te zeggen: „Deze bioscoop staat hier al zó lang. U had dat kunnen weten toen u hier kwam wonen. Ik woon zelf in het centrum bij een aantal cafés, maar mij hoor je niet klagen.”

„Wij hebben er hier genoeg van”, zei de vrouw. „Er wonen oude mensen en jonge mensen met kinderen. Die willen niet midden in de nacht uit hun slaap worden geschreeuwd. Het is hier ’s avonds vaak een bende. Alleen al die tientallen fietsen van bezoekers op de stoep waar ik als een steenbok overheen moet kruipen om mijn huis in te kunnen.”

Een steenbok in Amsterdam – het was een ongewoon beeld, maar ik zág haar klauteren.

„Ik zou er graag ’s met je baas over willen praten, wanneer is-ie er?”

„Dat is niet te zeggen. Hij komt af en toe binnenlopen. Maar u kunt altijd uw klachten bij hem indienen.”

Het klonk de vrouw allemaal te formeel in de oren. Kluitjes in het riet. „Ik ga geen brieffies en mails sturen, ik wil hem recht in z’n porem kijken.”

Op dat moment trad een lange, bleke man tussen de kassa en de klaagster. Hij bleek niet de baas te zijn, maar misschien wel een soort onderbaas. Hij mompelde iets tegen de vrouw, die daarop zei: „Ik wil geen mierenneuker zijn, maar ik zal het je laten zien.” Ze liepen naar de uitgang van de bioscoop.

The end? Bijna. Kort voor de film begon, zag ik de vrouw opeens in de rij achter mij zitten. Een zoenoffer van de bioscoop? Twee uur later, bij het verlaten van de zaal, hoorde ik haar tegen iemand verzuchten: „Een prachtige film, van het begin tot het einde.”

Het was nog waar ook.