Rockend rebelleren tegen het grootkapitaal

St. Pauli is een vreemde club in de Bundesliga. In mei promoveerde de cultclub. Rockers en rebellen omhelzen elkaar.

Het loopt tegen half vier als de zware klanken van een kerkklok door het volle stadion galmen. Langzaam wandelen de gladiatoren het veld op. Het geluid van de klok zwelt aan, gevolgd door dat van een rockende gitaar en drums. Als de gladiatoren het midden van het veld hebben bereikt, groeten ze het publiek. De rockklanken ebben weg. De wedstrijd kan beginnen. De toon is gezet, kippenvel op elk lichaamsdeel.

Elke wedstrijd van FC St. Pauli wordt ingeleid door de opzwepende geluidsgolf van Hell’s Bells van rockgroep AC/DC. De supporters deinen mee. Rock, punk, harde muziek, het hoort bij de cultclub uit Hamburg. Als een Paulianer heeft gescoord knalt het nummer Song 2 van Blur uit de luidsprekers, en dansen en schreeuwen ze allemaal mee. Op de tribunes wordt gezwaaid met piratenvlaggen, met daarop een doodshoofd en twee gekruiste botten, en bruinwitte vlaggen met de beeltenis van vrijheidstrijder Che Guevara. Dit is FC St. Pauli: anders, links, rebels, anti-discriminatie, anti-racisme en anti-fascisme. Voetbal voor iedereen, maar vooral voor rockers en punkers, krakers, voor jonge en oude mannen en voor jonge en oude vrouwen én voor homoseksuelen – iedereen is hier gelijk.

Dit is de club van het antwoord op kapitalistische grootmachten als Hamburger SV, Bayern München, Real Madrid, Barcelona, AC Milan en Manchester United, het antwoord op commercieel voetbal. Spandoeken met teksten als You’'ll never work alone, Republik Fussball, deine Meinung, dein Spielfeld, dein Sprechchor. In het stadion Am Millerntor, aan de rand van het uitgaanscentrum Reeperbahn (nachtclubs, theaters en bordelen), komen de vrienden van het leven bijeen om voetbal als feest van gelijkheid te beleven.

Geen vechtpartijen, zelfs als ze worden uitgedaagd door extreme rechtse fans van de grote clubs. Alleen veel bier drinken, vooral na afloop van de wedstrijd: het ene deel van de supporters onder de hoofdtribune, het andere deel in en voor hun hokken waar rock dendert en waar mannen met baarden en uitdagende kapsels en opvallend veel vrouwen. Ze hebben tatoeages en ringen in neus en oren. Ze drinken en zingen met elkaar, ze swingen en zoenen.

Corny Littmann was zeven jaar voorzitter. In mei van dit jaar hield hij ermee op, zijn missie was volbracht. Een man (57) van de Reeperbahn, artiest, theatereigenaar, ondernemer en homoseksueel. In 1998 baarde hij met het theaterstuk Deutsch, aufrecht, homosexuell opzien. Hij redde in 2003 FC St. Pauli van het faillissement. De club uit de volkswijk was afgedaald naar de Regionalliga. Hij zette acties op touw zoals de verkoop van T-shirts met teksten als Retter en Saufen für St. Pauli – op elk biertje kwam een solidariteitsheffing van vijftig eurocent. Binnen een half jaar had hij twee miljoen euro binnen. Door de verkoop van prullaria, kleding, boeken en muziek, verwant aan St. Pauli, kwam de club er snel bovenop. Geen banken en multinationals, gewoon de liefde van het volk aanwenden.

Juist door de homoactivist Littmann als voorzitter te benoemen, toonden de leden van St. Pauli aan dat hun club voor vrijheid en broederschap is. De voetbalsamenleving zwijgt doorgaans liever over homoseksualiteit. Littmann gaf een feest toen hij met zijn Tunesische vriend (een tenor in de Hamburgse opera) een partnerschap voor het leven aanging. Door Littmann werd St. Pauli weer gezond en verwierf de club door zijn intelligentie wereldwijd sympathieën.

Eerst wilde de club geen vipboxen en business-seats, maar Littmann besefte dat een profclub er niet buiten kon. Nu is er een hoofdtribune verrezen met faciliteiten voor mensen met geld en aanzien, en is ook de hardcore-staantribune vernieuwd. „Eigenlijk is St. Pauli verkocht aan mensen met geld”, zegt de 71-jarige supporter Hennes Jansen, gehuld in trui met capuchon waarop een Jolly Roger, het doodshoofd van de piratenvlag. „De volksclub is een merk geworden. Mensen willen bij St. Pauli horen omdat het een bijzondere club is. De shirtsponsor is een televisieloterij: Ein Platz an der Sonne. Mensen met geld maken veel kapot. Maar nu ik hier zit en mensen zie genieten, dan is het goed zo. Hamburger SV is geen sympathieke club, met zijn rechtse ideeën en supporters. Bij St. Pauli is iedereen elkaars vriend.”

De bruinwitte tenues van de spelers roepen associaties op met het nazitijdperk. Zijn buurman op de tribune begint te foeteren als het ter sprake komt. „Altijd het verleden erbij halen, stront zoeken, dat doen journalisten”, zegt de 69-jarige Heinz Morgenstern. „Dat bruinwit hebben ze al honderd jaar, sinds de oprichting in 1910. Ze zeggen nu koperkleurig. Onzin, kom er voor uit dat je anders wilt zijn. Ik geniet ervan dat de jeugd sinds een jaar of tien, twintig onze club aanhangt. St. Pauli speelt nu eerste Bundesliga, we zien topvoetbal en spelen tegen de echte grote clubs, Iedereen is opgetogen, ook na een nederlaag zoals vandaag.”

De nederlaag (1-3) deze middag tegen Borussia Dortmund doet pijn. Trainer Holger Stanislawski moppert. Hij zegt op de persconferentie tegen een journalist dat hij een psychiater zou moeten consulteren. „Ons te vergelijken met Dortmund is toch krankzinnig. Wij zijn St. Pauli”, roept de trainer, kaalgeschoren, ringbaardje en gehuld in T-shirt – zoals het een St. Pauli-trainer betaamt. Hij belooft niettemin dat hij de spelers morgen flink op hun donder zal geven. „We zijn vorig seizoen gepromoveerd door vechtvoetbal. Dat is ons voetbal, goed of slecht, vechten moeten ze.”

Freiraum Fussball, noemen de mensen rond de Hamburgse wijk St. Pauli het. Leven met anderen, leven voor anderen. Alles mag, als het maar op basis van vrede en respect is. Verliezen zoals tegen Borussia is vervelend. Maar verdriet? Een kwartier na de wedstrijd zijn bijna alle 24.000 toeschouwers nog in het kleine stadion. Ze wachten op de ereronde van de verliezers. Dan wandelen de uitgeputte spelers zwaaiend langs de tribunes. De 14-jarige Carsten Heber zegt: „Laatst werd het blindenelftal van St. Pauli kampioen. Ik heb nog nooit zo hard geschreeuwd.” Zijn vader, gehuld in een bruinwit shirt met doodskopshirt, staat hem bij: „Of ze nu winnen of verliezen, goed spelen of slecht spelen, ik ga voldaan naar huis, als na een hoogmis.”