Overtreffende trap van paard

Frank Westerman zocht naar aspecten van het curieuze verleden van de lipizzaner, het beroemde witte paardenras.

Welk resultaat levert die zoektocht op?

Wat zijn lipizzaners? Voordat ik het nieuwe boek van Frank Westerman las, had ik geen idee. Uit Dier, bovendier begrijp ik hoe dom mijn onwetendheid is, want het gaat om de wereldberoemde witte paarden van de Habsburgers, die sinds 1580 worden gefokt in een stoeterij te Lipica (Slovenië) en nadien ook op allerlei andere plaatsen. De Spaanse Hofrijschool in Wenen is nog altijd hun thuis. Aan deze paarden blijkt een heel verhaal vast te zitten en dat verhaal wordt door Westerman in zijn boek verteld. Raak je zo’n lipizzaner aan, dan ‘raak je geschiedenis aan’, krijgt hij als jongen te horen. Het blijken geen loze woorden te zijn. Via de lotgevallen van de lipizzaners komen WO I en WO II voorbij, evenals de Balkanoorlog. Westerman doet het allemaal met verve uit de doeken. Het is duidelijk dat hij deze lipizzaners niet als gewone paarden beschouwt. De lipizzaner, lezen we, is ‘de overtreffende trap van het paard’. Het is vooral hun ‘adellijkheid’ die Westerman aanspreekt. Ze zijn bijna als mensen, maar wanneer de nazitijd ter sprake komt valt ook het woord Übertier.

Een van de oefeningen die lipizzaners volmaakt beheersen is het zich steigerend verheffen op twee benen, al dan niet met een triomferende veldheer op de rug. Westerman schrijft: ‘Zo’n superieure hengst in een beheerste levade was de vleesgeworden beschaving – het summum van wat de menselijke cultuur wist voort te brengen’.

Ik zou nog wel wat andere summa kunnen bedenken, maar dat een paard hier het summum van de menselijke cultuur wordt genoemd is geen toeval. Bij de lipizzaner gaat het om gefokte paarden, de geslaagde producten van eeuwenlange rasveredeling; een aspect dat in Dier, bovendier eveneens alle aandacht krijgt. Westerman komt te spreken over de eugenetica, over de erfelijkheidsleer van Mendel en de vaak bizarre discussies die daardoor lang na Mendels dood werden uitgelokt. Hoewel hij geen directe bemoeienis met de lipizzaners had, wordt er bladzijden lang uitgeweid over Stalins officiële bioloog Lyssenko, die een nieuwe versie van het Lamarckisme – de theorie dat ook aangeleerde eigenschappen erfelijk kunnen zijn – verdedigde. Het bredere debat dat zich in deze kwestie aandient gaat over de vraag of het leven nu vooral een zaak is van nature of van nurture.

Zoals men ziet: er wordt veel opgehangen aan het lot van deze bijzondere paarden, misschien wel wat te veel. Daar staat tegenover dat Westerman het niemand erg moeilijk maakt. Hij is er kennelijk vanuit gegaan dat zijn lezers van niets weten. Wat betreft de lipizzaners had hij, althans in mijn geval, groot gelijk. Andere dingen die ik wél weet, blijken weer nieuw te zijn voor hem, getuige zijn verbazing over de Duitse naam (Laibach) van de Sloveense hoofdstad Ljubljana of over de betekenis van de afkorting ‘K.u.K.’ (Kaiserlich und Königlich) – alleen iemand die nog nooit een bladzijde Musil of iets over de geschiedenis van Oostenrijk en de Balkan heeft gelezen, kan deze verbazing delen.

Misschien is Westerman alleen maar eerlijk. Hij is geen specialist die zich al een half leven aan het onderwerp heeft gewijd, en hij doet ook niet alsof. Voor dit boek lijkt hij from scratch te zijn begonnen. De lezer mag alle stappen van zijn speurtocht van nabij volgen. Het relaas wordt er levendig door, menselijk: we krijgen het resultaat van het onderzoek gepresenteerd, maar ook de manier waarop het tot stand is gekomen.

De auteur zelf schaart zich, bij wijze van spreken, onder de toehoorders. Met als listig gevolg dat niemand, hoe onwetend ook, zich geïntimideerd hoeft te voelen. Het nadeel is alleen dat zo’n bescheiden, ja ‘democratische’ aanpak nergens leidt tot een indrukwekkende eigen visie, terwijl Westermans uitdrukkelijk verwoorde ambitie zoiets wél in het vooruitzicht stelt. Naar eigen zeggen hoopt hij ‘via de menselijke bemoeienis met het paard [...] meer inzicht te krijgen in de eigenaardigheden van onze eigen soort’. Meer dan eens werpt hij de boeiende vraag op waarom alle pogingen van de mens om zijn eigen soort langs eugenetische weg te veredelen, anders dan bij dieren of planten, steeds op rampspoed en ellende zijn uitgelopen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de nationaal-socialistische rassenpolitiek, waaraan Westerman in zijn boek de nodige aandacht besteedt, zonder er iets nieuws over te melden. En ook zijn vraag naar de ‘ethische grenzen van de rasveredeling’ is niet van belang ontbloot. Helaas verhindert de gekozen aanpak dat er interessante antwoorden komen.

Over deze kwesties hebben al veel grote geesten zich uitgelaten en het heeft niet veel zin zelf een balletje op te werpen, zonder die andere opvattingen, in elk geval de meest invloedrijke, ter sprake te brengen en in het eigen antwoord te verwerken. Het verhaal zou dus even moeten plaatsmaken voor een grondige analyse. Maar dat heeft Westerman blijkbaar willen voorkomen – uit angst dat de lezers hem dan de rug zouden toekeren? Hij beperkt zich tot het stellen van de vragen en hij stipt hooguit een paar aspecten van de problematiek aan. Het is niet zo dat Westerman van mij omstandig op dit alles had hoeven in te gaan, maar nu wekt hij verwachtingen die niet worden ingelost. Kortom, het ontbreekt dit boek aan intellectuele diepgang. Gelukkig wordt dat voor een groot deel goedgemaakt door de kwaliteit van de vertelling. Op het eind zorgt die ook nog voor een verrassing.

We schrijven 2007 en Westerman reist af naar het Kroatische Lipik, waar in tegenwoordigheid van een Kroatische popster zal worden gevierd dat de tijdens de oorlog met Servië uit Lipik geroofde lipizzaners weer in hun thuishaven zijn teruggekeerd. Tijdens de lunch slaan de aanwezige Kroaten zich uit nationale trots op de borst: die thuiskomst hebben zij toch maar mooi voor elkaar gekregen. Wat blijkt? In werkelijkheid zijn de paarden nooit geroofd, ze zijn door de Servische stalmeester geëvacueerd voor het oorlogsgeweld en hij is het ook geweest die internationaal aan de bel heeft getrokken toen ze in Servië van de honger dreigden om te komen. Deze ontmaskering van een nationalistische mythe in statu nascendi is een mooi voorbeeld van wat Westermans literaire non-fictie wél vermag.

Frank Westerman: Dier, bovendier. Atlas. 285 blz. € 19,95