Historisch pistool

Acht jaar na dato leidt de moord op Pim Fortuyn tot een serieus meningsverschil binnen het Rijksmuseum in Amsterdam. Hoofddirecteur Wim Pijbes wil het pistool waarmee de politicus werd vermoord in de collectie van het museum opnemen. De neerlandicus Frits van Oostrom, die lid is van de raad van toezicht, keert zich tegen dit plan.

Pijbes voorspelt dat het pistool een „belangrijk geschiedkundig object” wordt. De zorg vertrouwt hij niet toe aan het nieuwe Nationaal Historisch Museum (NHM). Volgens Van Oostrom moet het Rijksmuseum zich bij zijn leest houden: bij Rembrandt en andere meesters. Hij gaat de directeur tot de orde roepen. „Wij zijn wel zijn baas.”

De sfeer in de top van het Rijksmuseum laat kennelijk te wensen over. Maar wie heeft er gelijk: de directeur of zijn toezichthouder? Strikt genomen is het antwoord eenvoudig: Pijbes. De statuten van het instituut zijn glashelder. Het Rijksmuseum is er voor kunst én vaderlandse geschiedenis.

Van Oostrom bagatelliseert deze doelstelling als een „dode letter” uit de 19de eeuw. Dat is retoriek. Het Rijksmuseum onderhoudt een historische collectie die nevengeschikt is aan de andere collecties . Zo beheert het een wandelstok van de in 1619 geëxecuteerde raadspensionaris Johan Van Oldenbarnevelt en het bureau van premier Willem Drees.

Talloze schoolboeken zijn voor een groot deel met afbeeldingen uit het museum geïllustreerd. Een dode letter mocht willen zo veel gereproduceerd te worden.

Dat wil overigens niet zeggen dat de historische taak van het museum boven elke twijfel verheven is. Door het tweevoudige karakter van het Rijksmuseum worden veel objecten pas tentoongesteld als er iets aan de te zien is. Voor veel uitleg is het museum niet geschikt. Een museum creëert zo ook iconen. Het bureau van Drees wordt geen icoon als het in depot blijft. Het pistool van Fortuyn wel, wanneer het aan het publiek wordt getoond.

Door deze ambivalenties is het Rijksmuseum anno 2010 niet het vanzelfsprekende geschiedenismuseum dat men ruim een eeuw geleden voor ogen had. Daarom wordt er ook gewerkt aan een apart Nationaal Historisch Museum. Als het goed is, is daar wel ruimte voor de context van het geschiedverhaal. Maar tot nu toe gaat het niet goed met dit museum. De aanbesteding en bouw ervan in Arnhem zijn net zo’n gebed zonder eind als de renovatie van het Rijksmuseum dat pas in 2013 opengaat. Het is zelfs de vraag of het NHM er ooit komt, gezien de bezuinigingen op overheidsuitgaven.

Zolang de toekomst van het NHM ongewis is, doet het Rijksmuseum er goed aan zijn collectie op peil te houden. De redenering van Pijbes dat de moord op Fortuyn een breukpunt in de Nederlandse geschiedenis zal blijken te zijn, is meer dan plausibel. Het is zijn taak om nu al het materiaal te verzamelen dat deze cesuur straks illustreert. Of het pistool dan in een vitrine in het Rijksmuseum of in een veel ruimere context in het Nationaal Historisch Museum wordt getoond, is van later zorg. Tot die tijd heeft Pijbes gelijk.