Hier, een pleister voor op je lage woordenschat

Vmbo-leerlingen moeten 1.600 woorden kennen om de lesstof beter tot zich te nemen. En dan komt het allemaal in orde. Zou het echt? Natuurlijk niet, aldus Jan Kuitenbrouwer.

In een van mijn favoriete Professor Pi-cartoons rijdt de professor in een reusachtige Amerikaanse slee door een drukke straat en schept de ene na de andere voetganger. Maar geen nood: op de achterbank ligt een grote stapel verbanddozen, waarvan hij er bij elke aanrijding één uit het raam werpt. Alles onder controle.

Afgelopen dinsdag presenteerde de gemeente Amsterdam de ‘Basislijst Schooltaalwoorden vmbo’, een lijst van 1.600 woorden die brugklassers op het vmbo in elk geval moeten kennen, omdat het onderwijs dat zij daar komen volgen anders geen zin heeft. Zij beheersen de taal van het leren niet. Zij worden naar het vmbo gestuurd met een woordenschat die ontoereikend is om daar te functioneren. ‘Actie’, ‘blik’, ‘centrum’, ‘deksel’, ‘echter’, ‘fel’, ‘gebruik’, ‘haak’, ‘intussen’, om dat soort woorden gaat het, en zo door tot ‘zwak’. Deze lijst moet dat oplossen.

Volksverlakkerij! Leren ís woorden leren, zeker in het lager onderwijs. Bij de ‘m’ op de lijst, bijvoorbeeld, vinden we ‘m2’. Is het mogelijk een kind te leren wat ‘m2’ betekent zonder het idee ‘oppervlaktemaat’ te behandelen? Nee. En het omgekeerde? Ook niet. Een kind het ‘woord’ m2 leren is het de eerste beginselen van de meetkunde bijbrengen. En dát is dus wat de basisschool verzuimd heeft.

Of neem ‘pols’, dat er ook op staat. Met: ‘je pols, dat is het gewricht tussen je arm en je hand’ ben je er niet, want ‘gewricht’ staat óók op de lijst. Dat zal je dus eerst moeten uitleggen. En zonder gebruikmaking van het woord ‘pols’ dus. Of ‘uitleg’, trouwens, want ook dat staat op de lijst. Evenals ‘bol’. Of ‘klei’, ook een goed voorbeeld. Elk kind heeft ooit gekleid, met klei, en kent dat woord dus echt wel, maar op de lijst staat het in de rubriek ‘mens en maatschappij’, dus hier wordt vermoedelijk de grondsoort bedoeld. Dát is ze dus nooit uitgelegd. Ja, en pas op, want als deze 1.600 woorden ‘gesemantiseerd’ zijn – ik citeer de wetenschappelijke toelichting bij de lijst – moeten ze ook nog ‘geconsolideerd’ en ‘gecontroleerd’ worden!

Zo werkt het onderwijs tegenwoordig, en eigenlijk de hele publieke sector: voor de dagelijkse uitvoering zijn onvoldoende middelen, zo ontstaat wanprestatie, die vervolgens gecorrigeerd moet worden met fancy bijstuurinstrumenten. Dat gaat weer ten koste van de middelen, enzovoorts. Honderd onderbetaalde leerkrachten krijgen de klus niet geklaard, maar tien overbetaalde consulenten weten daar wel iets op. En plop!, daar ligt de verbanddoos. Een uitgekiende pleisterkit voor je woordenschat, waarmee het allemaal in orde komt. Zou het? Natuurlijk niet.

De ontwerpers vertellen merkwaardig genoeg niet hoe groot de woordenschat van deze kinderen feitelijk is, dus naar de proportionele ambitie van deze operatie moet worden gegist, maar stellen we dat percentage even op 16 (de woordenschat is nu 8.400 woorden, maar zou 10.000 moeten bedragen), dan moet in de brugklas van het vmbo dus ongeveer eenzesde van de basisschool worden ingehaald! Een jaar in een jaar! Of laten we voor dat semantiseren, consolideren en controleren in totaal 5 minuten per woord rekenen; dan heeft een brugklas op het vmbo er sinds eergisteren 160 lesuren bij! Waar gaan we die eens uit halen? De lengte, of toch maar de breedte?

Al die managers en adviseurs die deze miracle cure in elkaar geknutseld hebben, als die nu eens gewoon voor de klas gingen staan? En ‘blijven zitten’, het oud-Hollandse huismiddeltje om kinderen op niveau te krijgen, wat is daar toch mee gebeurd? Er kwamen te weinig doctorandussen aan te pas, denk ik.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver, journalist en directeur van de Taalkliniek.