Grootste vijand: de saaaaaaaaaaaiheid

Voor een programma van de VPRO-radio bracht nrc.next-columniste Paulien Cornelisse een week in isolatie door.

Wat doet afzondering van communicatie met een mens?

Er is zo’n film over een man op een onbewoond eiland. Castaway. Met Tom Hanks. Hij zit jarenlang op dat eiland, zonder uitzicht op redding. Toevallig ligt er op het eiland ook een volleybal, en die volleybal wordt de beste vriend van Tom Hanks. Hij krijgt ook ruzie met de volleybal. En hij maakt het weer goed. Als je het aan het goedmaken bent met een volleybal, dan weet je dat je eenzaam bent.

Onlangs maakte ik iets mee wat hier heel in de verte een klein beetje op lijkt. Ik zat een week op een eiland, zonder televisie, telefoon, internet of radio. Dat deed ik voor de VPRO, in het kader van het project Kamer in het verleden. Het was losjes gebaseerd op Alleen op een eiland, het legendarische radioproject uit 1971, waarin eerst Godfried Bomans en toen Jan Wolkers een week in hun eentje op Rottumerplaat doorbrachten. Jan Wolkers was in zijn element en liep de hele dag te ravotten in de natuur. Bomans was bang en voelde zich ziek. Niet lang na zijn terugkeer van het eiland ging hij dood.

Iedereen die Alleen op een eiland kent (ik hoorde het zelf als luisterboek) wil weten: zou ik een Bomans zijn of een Wolkers? Daarom deed ik mee aan Kamer in het verleden.

Ik werd afgezet op een klein kidneyboonvormig eilandje in het Lauwersmeer: Senneroog. „Hier komt niemand,” zei de boswachter. Waarop er meteen een rustieke bruinzeilige boot de baai in kwam draaien. „Tja, ik kan ze niet wegsturen,” voegde hij toe.

Ik moest de eerste dagen dus doen wat ik thuis in Amsterdam ook doe: mijn gang gaan en de buren negeren. Ik vond het jammer dat ik niet keihard kon schreeuwen in het niets – want daar had ik me op verheugd. Ik moest een paar dagen wachten tot de baai dan toch afgezet werd, en er niemand meer bij kon komen. Toen heb ik natuurlijk meteen geschreeuwd. Het was geen monumentaal moment. Ik dacht: „Nu heb je geschreeuwd.” Meer niet. Wel was ik, toen alle mensen weg waren, blij verlost te zijn van al het geluid, van alle stemmen die je normaal hoort. Ik hoefde niets.

En dat ‘niets’ was het enige wat goed lukte. Schrijven was bijvoorbeeld al bijna onmogelijk. Wat ik schreef ging uitsluitend over het eiland; de vogels, de saaiheid, en ‘wat het met me deed’. Dit soort dagboekschrijven kun je niet de hele dag doen.

Bij gebrek aan allesverzengende inspiratie dacht ik dat ik dan misschien wel gek zou worden. Van de stilte. En de eenzaamheid. Maar al snel realiseerde ik me: het komt wel vaker voor dat ik een dag helemaal niemand zie. En niks zeg. Ik had zonder het te weten een goede voorbereiding gehad op de eenzaamheid.

Omdat ik niet gek werd, en ook niet creatief, moest ik de dagen door zien te komen. En toen bleek wat de grootste vijand op het eiland was: de saaaaaaaaaiheid. Je weet dat de verveling goed heeft toegeslagen als je jezelf betrapt op deze gedachte: „Het is nu… vier uur… Nou, dan mag ik over een uur beginnen met koken. Wat ga ik in dat uur doen?”

Let wel: het eiland was veel te klein om echt een wandeling op te maken. Ik zat vast op het boothuisje met mijn eigen gedachten, die dus noch dramatisch, noch hemelbestormend waren. „Never empty-handed,” zei ik tegen mezelf als ik weer eens een yoghurtbakje van de tafel naar de keuken verplaatste. Ik constateerde emotionele vervlakking bij mezelf. Misschien was ik bang om in een diepe crisis te geraken, en zorgde ik daarom dat ik me van zo weinig mogelijk wat aantrok. Het alleen zijn? Prima. De natuur? Prima. ‘Prima’ is het woord dat ik vaak tegen mijzelf zei. ‘Prima’ is het meeste vlakke woord dat er bestaat. Vlakker dan het Lauwersmeer.

Ik was ook bijzonder inefficiënt. In mijn normale, drukke leven gaat er vrij veel energie zitten in dingen ‘in één moeite door’ doen. „Als ik nou toch batterijen moet kopen, kan ik net zo goed meteen even dat boek terugbrengen, en wacht, als ik dan ook meteen dán ga sporten, en daarna in één moeite door naar het theater! Anders wordt het zo’n geheen-en-weer.” Op Senneroog werd ik een groot liefhebber van geheen-en-weer. Hoe meer heen en weer, hoe beter. Ik moest van mezelf kijken naar de uien die ik fruitte, en mocht niet alvast een avocado gaan uithollen. Alles op z’n tijd.

Goddank bevindt er zich in mijn vriendenkring iemand met een vooruitziende blik, en deze persoon had drie vliegers voor me gemaakt. Bijzonder stabiele vliegers, die je in je eentje kunt oplaten. Aan deze vliegers kon ik een balkje bevestigen, en aan dat balkje hing ik mijn camera. Zo kon ik luchtfoto’s van mezelf maken. Dit werd direct mijn lievelingshobby. Als het niet regende, maar wel waaide, rende ik naar buiten om luchtfoto’s te maken. Soms stortte er een vlieger neer, en moest ik me door de manshoge berenklauwen op het eiland worstelen. Dat was niet erg. Daarmee kwam ik de tijd door.

Mijn telefoon miste ik natuurlijk heus wel. Ik ben geen kluizenaar. Toen ik vriendschap had gesloten met een meerkoet, had ik de neiging dit toch even te sms-en. „Hier heel lieve meerkoet, hij duikt onder en komt dan boven met trotse blik.” Dat kon dus niet.

Mijn contact met de meerkoet bleef tussen ons tweeën, en daar zag ik de schoonheid wel van in, door alle emotionele vervlakking heen. Ik gaf de meerkoet stukjes brood, om onze vriendschap warm te houden.

Na mijn week op het eiland moest ik weer terug naar de wal; en daar was het wat mij betreft ook wel tijd voor. Ik vond het leuk om weer mensen te zien. Maar meer dan van menselijk contact, genoot ik van verplaatsing. Ik kon weer bewegen, lopen, autorijden – er was zo veel te zien. Zo veel koeien! En zo dichtbij! Vanaf het moment dat ik weer ging bewegen, kwamen ook mijn gedachten weer op gang.

De dag na mijn terugkomst had ik de eerste try-out van mijn nieuwe voorstelling. Het ontroerde mij dat er mensen waren, en dat ik er ook was, en dat we ons allemaal tegelijk op de dezelfde plek bevonden.

Ik weet, het is sentimentele onzin – maar mijn emoties werkten dus weer.

En dan nog dit: Toen ik weer terug was thuis, was mijn leven heel snel weer heel gewoon. Ik ging mijn gang, sprak af met vrienden en negeerde mijn buren. Toen ik al ruim een week terug was liep ik langs de openstaande deur van mijn onderbuurman. Door de kier zag ik hem op de grond liggen. Heel stil. Ik belde 112 en zei dat ik dacht dat mijn buurman misschien dood was. Dat moest ik checken, van de mensen van 112, en dat deed ik – huilend. Hij was echt dood. Dit was een man die erg op zichzelf was; hij had in ieder geval bijna nooit bezoek. Ik wist zijn naam, en dat hij de Telegraaf las. Dat hij zijn wifi naar zichzelf vernoemd had. Verder niets.

Hij had op het punt gestaan naar buiten te gaan, maar was overvallen door de dood. De politie kwam, en de brandweer en de ambulance. Reanimeren had geen zin meer.

Ik huilde om de man die alleen was doodgegaan en gevonden werd door iemand die hem eigenlijk niet kende, hem zelfs nooit had willen leren kennen.

„Door wie zou ik gevonden worden?” dacht ik, omdat ik op de bovenste verdieping woon en er nooit toevallig iemand langsloopt. Natuurlijk huilde ik ook om het antwoord op die vraag.

Het is geen slechte dood, een hartaanval. En mijn buurman heeft zelf niet kunnen zien hoe droevig hij eruit zag. Toch dacht ik, toen ik hem daar zo zag liggen: dit is eenzaamheid.

Op het eiland was er alleen maar afzondering.

Paulien Cornelisse is cabaretière en columniste van nrc.next.