Energiebeleid VS onvolmaakt

Topman Jeffrey Immelt van General Electric (GE) heeft Washington vorige week donderdag gekapitteld voor het veronachtzamen van de Amerikaanse energiesector. Hij noemde het huidige beleid „stom”. Zeker, Immelt praatte in zijn eigen straatje – vorig jaar was een derde van de winst van GE afkomstig van de energiedivisie. Maar het ontbreken van een samenhangend energiebeleid is nog steeds een rem op de economische ontwikkeling.

Immelt was een grote fan van het energieplan van president Barack Obama, dat een systeem van beperkingen en handel (‘cap-and-trade’) voorstelde voor het terugdringen van de CO2-emissies. De versie van het Obama-plan, die het in de Amerikaanse Senaat niet haalde, omvatte ook nieuwe prikkels voor de kernenergiesector. Immelt, die hard zijn best doet om de nucleaire activiteiten van GE te stimuleren, zou die beslist hebben verwelkomd. In zekere zin zijn de klachten van Immelt dus niets anders dan de uitspraken van een concerntopman die zijn bedrijf een steuntje in de rug wil geven.

Maar zijn kritiek reikt ook verder. De ondergang van het Obama-plan – de Republikeinen lieten het wetsontwerp sneuvelen door het af te schilderen als een voorstel voor een verlammende energiebelasting – heeft een beleidsvacuüm nagelaten. Immelt heeft tevens gehakt gemaakt van het huidige verbrokkelde Amerikaanse toezicht en zei dat dit een relikwie uit de 18de eeuw was zonder „wezenlijke basis is de moderne wereld”.

Het gebrek aan duidelijkheid in het regeringsbeleid is een grote zorg geworden voor het Amerikaanse bedrijfsleven. Een voor de hand liggend voorbeeld is de voortdurende afwezigheid van een heldere aanpak voor het vaststellen van de prijs van koolstofhoudende brandstoffen. Ondanks zijn tekortkomingen, zoals een onnodige complexiteit, zou het ‘cap-and-trade’-plan van Obama nu juist daarin hebben voorzien. Intussen maakt de wisselvalligheid van de olieprijzen de investeringen in alternatieve energiebronnen als kernenergie, zon- en windenergie al riskant genoeg, zonder verdere onzekerheid over belastingen en andere door de overheid beïnvloede kosten.

Maar Immelt zou gerust moeten zijn. Hoewel het cap-and-trade-plan dood is, doet het idee van een eenvoudige ‘koolstof’-belasting, waarvan de opbrengst kan worden gebruikt om andere belastingen te verlagen, het nog steeds goed onder zowel Republikeinen als Democraten. Nog waarschijnlijker – wellicht als het Congres weer bijeenkomt na de verkiezingen van november dit jaar – is het aanvaarden van een nationale standaard voor duurzame energie. Zo’n wet zou eisen dat energieproducenten in heel Amerika in 2021 15 procent van hun elektriciteit uit duurzame bonnen halen, of dat ze het energieverbruik tegen die tijd met 15 procent moeten hebben teruggedrongen. Momenteel verschillen deze standaarden van staat tot staat, wat Immelt mateloos irriteert.

Maar hoewel een energiestrategie grotere zekerheid op het gebied van het toezicht en de prijsstelling moet kunnen opleveren, mag zij geen excuus zijn voor enorme overheidssubsidies. Dat zou alleen maar een beloning zijn voor de effectieve lobby van de energiebedrijven. Immelt heeft gelijk als hij een uitgestoken hand verwacht, maar die moet niet gevuld zijn met geld.