En weer is daar de discussie over regels

De beste 64 tennissers mogen naar de Spelen, vindt de internationale tennisbond.

Nee, een plek bij de beste 40 is vereist, zegt NOC*NSF, tot grote woede van de KNLTB.

Wie bepaalt welke tennissers aan de Olympische Spelen mogen deelnemen? Niet alleen sportkoepel NOC*NSF, vindt de Nederlandse tennisbond (KNLTB), die daarover voor ‘Londen 2012’ definitief een uitspraak wil afdwingen. Eerst van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en in tweede instantie van de burgerrechter. Maar duidelijkheid komt er, beweert een zelfverzekerde KNLTB-voorzitter Karin van Bijsterveld, die haar verontwaardiging over NOC*NSF allerminst verbergt. „We zullen niet rusten voor die aanvullende kwalificatie-eisen van tafel zijn.”

Van Bijsterveld meldt strijdvaardig dat de tennisbond geen enkel document zal tekenen waarin de limieten van de internationale tennisfederatie ITF zijn aangescherpt. NOC*NSF claimt echter het recht op aanvullende regels met als uitgangspunt dat een Nederlandse sporter pas aan de Olympische Spelen mag meedoen als hij of zij een reëel uitzicht op een plaats in de topacht van het deelnemersveld heeft.

Voor de Olympische Spelen in Londen verlangt de sportkoepel dat een Nederlandse tennisser op de wereldranglijst bij de top-40 (mannen) of top-32 (vrouwen) staat, terwijl de ITF voor beide toernooien een plaats bij de beste 64 eist. Thiemo de Bakker zou op grond van zijn huidige ranking niet naar de Spelen mogen; hij staat 46ste. En Robin Haase zou met de 67ste plaats die hij nu inneemt evenmin worden uitgezonden, terwijl hij op een geschoonde lijst – er worden maximaal vier tennissers per land tot het olympische toernooi toegelaten – minimaal drie plaatsen opschuift. Van Bijsterveld: „We beginnen nu de discussie, omdat we er in overleg met NOC*NSF niet uitkomen.”

De kwestie speelt sinds de Spelen van Athene in 2004, toen Raemon Sluiter zich volgens de ITF-regels had gekwalificeerd, maar NOC*NSF hem toch weigerde uit te zenden. Tot woede van de internationale tennisfederatie die zelf IOC-voorzitter Jacques Rogge inschakelde om haar gelijk te halen. De Belg had eerder succesvol bemiddeld in vergelijkbare conflicten rond de Zweedse tennisser Andreas Vinciguerra en de Duitser Florian Mayer.

Tevergeefs, want een dwingende brief van Rogge de internationale regels te respecteren werd door NOC*NSF genegeerd. Zelfs een dreigement van de proftennisorganisatie ATP om het olympisch toernooi niet te laten meetellen voor de wereldranglijst kon de sportkoepel niet vermurwen.

Sluiter loste het probleem op door zich terug te trekken. Daarnaast honoreerde de ATP zijn verzoek collega’s niet te duperen en wel punten voor de wereldranglijst toe te kennen. Maar die organisatie eiste destijds wel de garantie dat bij de volgende Olympische Spelen alle spelers die zich hebben gekwalificeerd, mogen gaan. De discussie herhaalde zich vier jaar later in de aanloop naar ‘Peking’ rond Robin Haase, maar bloedde vrij snel dood toen de speler geblesseerd raakte.

Het conflict heeft een internationale lading, omdat het een principiële kwestie is die de macht van sportbonden en het IOC raakt. Bovendien staan er in de extreem geprofessionaliseerde tennissport grote financiële belangen op het spel. NOC*NSF wordt met haar halsstarrigheid gezien als een lastige horzel. Maar wel een met recht van spreken, vindt de sportkoepel. Omdat in het olympische handvest staat dat enkel en alleen de nationale olympische comités verantwoordelijk zijn voor uitzending van een ploeg.

KNLTB-voorzitter Van Bijsterveld beroept zich evenwel ook op het charter waarin tevens staat dat de internationale federaties op de Olympische Spelen verantwoordelijk zijn voor de toernooiorganisatie. „Dus bepaalt de ITF de toelatingseisen”, zegt zij. En dan verongelijkt: „Er doen geen recreanten mee. De sport is dusdanig geëvolueerd dat alle tennissers een medaille kunnen winnen. En Nederland wil toch veel medailles? Dan zou ik tennissers juist meenemen.”

Volgens het voormalige IOC-lid Els van Breda Vriesman, die op de achtergrond bij het conflict was betrokken, maakt ITF weinig kans op grond van het olympische handvest. „Omdat het IOC nooit zal tornen aan de bevoegdheid van nationale olympische comités; die weegt zwaarder dan die van de internationale federaties.”

Die uitzichtloosheid dwingt de KNLTB vrijwel zeker tot een stap naar de rechter. Een actie waar Gerard Dielessen, algemeen directeur van NOC*NSF, laconiek op reageerde. „Ik vind het prima. Dan weten we tenminste waar we aan toe zijn”, zei hij onlangs tijdens de openbaarmaking van de normen en limieten voor ‘Londen’.

Maar op welke gronden denkt de Nederlandse tennisbond, die in deze zaak samen met de ITF optrekt, sterk te staan? Van Bijsterveld: „Omdat het NOC statutair verplicht is de olympische doelstellingen in overeenstemming met de IOC-regels uit te dragen. En omdat topsport maatwerk is. Je kunt tennis niet vergelijken met atletiek. Kwalificatie-eisen voor de Spelen zijn niet te generaliseren. En waar praten we over? Vijftien Nederlandse sporters in 2004 en twintig in 2008 als NOC*NSF de door ons betwiste aanvullende eisen voor individuele sporten had laten vallen. En dat op een ploeg van zo’n 300 sporters. En tot slot: waarom zouden we geen zaak aanspannen? We hebben niets te verliezen.”