Wat zegt een naam?

Een jonge collega op de krant vraagt: „Als je in Indonesië bent geboren, waarom heb je dan een Nederlandse naam?” Waarschijnlijk is zij opgegroeid met kinderen die Graanoogst heten, Boulachouk of Yildrimoglu. Mensen wier etniciteit ook valt af te lezen van hun visitekaartje. Wie op Java is geboren moet zeker Hartono, Liem of Wattimena heten. Een vraag die me de laatste jaren ook vaak wordt gesteld, is: „Wie van je ouders is dan Indonesisch”? Want veel jongeren denken dat als je ergens ver weg bent geboren en van ‘gemengde bloede’ bent, dat je dan een blanke vader hebt en een gekleurde moeder, of omgekeerd. Maar onze familie bestaat al generaties uit mengbloedigen in gradaties van gekleurdheid. Ergens aan onze genealogische basis staat een blanke man die bij een Javaanse, Chinese of andere inheemse vrouw kinderen verwekte. Bij de indo’s wordt die gekleurde oermoeder aangeduid met ‘nyai’, de inheems Aziatische bijzit van de blanke. Een van mijn voormoeders, Sing Hong Nio, werd in 1841 voor 12 dollar in Hongkong gekocht door een volbloed blanke Fransman. Van een andere oma rest alleen de vermelding ‘inlandsche christenvrouw’. De kinderen van die inlandse of Chinese vrouwen werden meestal geëcht door de blanke vader, dat dan weer wel. Een voorrecht dat de ‘mestiezen’ in Brits-Indië niet werd gegund. Zij bleven, vaak als tweederangs burgers, achter in het land van verwekking. Leuk om te weten, maar onbelangrijk in het dagelijkse leven. Hoewel, een ‘etnische’ achtergrond kan tot interessante ontmoetingen leiden. In een restaurant vraagt een jonge, ongesluierde Marokkaanse die met haar gesluierde vriendin naast ons zit waar ik vandaan kom. „Amsterdam”, zeg ik. „Nee, waar ben je geboren?” „Indonesië.” „Dus dan ben je Indonesiër.” „Nee, Nederlander”, zeg ik. Nou, zij zou nooit zeggen dat ze Nederlandse was. Daarvoor was ze te trots op haar Marokkaanse afkomst. Ik verloochen mijn roots, mijn cultuur, vindt ze. Een langdurig en soms fel debat volgt. Na etniciteit volgen al snel de onderwerpen: religie in het algemeen en islam in het bijzonder („Van de islam moeten jullie afblijven, die is van ons”). De relatie mannen en vrouwen („Natuurlijk zal ik mijn man gehoorzamen”.) Overspel („Jullie denken dat we engelen zijn zeker.”) En praten : „Nederlanders willen altijd over alles praten”. Bij ons afscheid, we hebben allemaal genoten van het gesprek, zeg ik: „Je bent hardstikke Hollands, alleen je weet het nog niet.”