Steun aan regeringen doet de Europese nieuwrechtse partijen juist groeien

Lega Nord, FPÖ en de Zwitserse SVP tonen aan dat radicaal rechtse partijen ook als regeringspartij hun toon niet hoeven te matigen.

Universitair docent, verbonden aan de afdeling Politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op de geschiedenis en theorievorming van populisme en vergelijkend onderzoek naar populistische partijen in West-Europa.

De komst van de Zweden-Democraten (SD) in het Zweedse parlement, na de verkiezingen van zondag 19 september, laat zien dat er op uiterst rechts een electorale succesformule uitgevonden is. Die formule luidt: keer je radicaal tegen immigratie en de islam, maar vermijd racisme en extremisme.

De Zweden-Democraten doen sinds eind vorige eeuw hun best het extremistische imago kwijt te raken door neo-nazi’s en racisten te weren. Dankzij een nieuwe en jonge leider is het gelukt de partij op dit nieuwe spoor te zetten. Het Franse Front National is in dit opzicht de trendsetter geweest. In Oostenrijk heeft de FPÖ eind vorige eeuw met de nieuwe formule electoraal succes geboekt en er ook toegang tot regeringsmacht mee gekregen.

Niet alle partijen slagen er echter in op die manier salonfähig te worden. In Groot-Brittannië doet de BNP wel pogingen om het extremistisch imago af te schudden, maar lukt dat leider Nick Griffin nauwelijks. Ook het Vlaams Belang weet zich niet altijd overtuigend te distantiëren van extremistische groeperingen en individuen. De formule is daarnaast ook omhelsd door partijen van wie de afkomst onverdacht is. Partijen met liberale achtergronden, zoals de PVV in Nederland of de SVP in Zwitserland zijn de afgelopen jaren geradicaliseerd en hebben zich met succes geprofileerd als anti-immigratie en anti-islam partijen, die op en soms over het scherp van de snede opereren. Zo zijn partijen van uiteenlopende afkomst naar elkaar toegegroeid en is een nieuwe partijfamilie op uiterst rechts ontstaan.

Met het groeiend succes van deze radicaal rechtse partijen dringt zich overal de vraag op of samenwerking in een regering met deze partijen mogelijk en wenselijk is. Soms staan principiële afwegingen voorop. In een aantal landen, waaronder Zweden en België, houden de gevestigde partijen daarom vast aan een cordon sanitaire. Waar een dergelijk cordon maatschappelijk onhoudbaar geworden is, zoals in Nederland na de electorale doorbraak van Pim Fortuyn, zijn realistische afwegingen minstens zo belangrijk geworden. Daarbij is het van belang dat de gevestigde partijen lessen trekken uit ervaringen in andere landen. In Italië, Zwitserland, Oostenrijk en Denemarken hebben centrumpartijen al ervaring met deze nieuwe coalitiepartners.

Mijn vergelijkend onderzoek leert dat het de vraag is of men deze radicale partijen beter ‘binnen de tent naar buiten kan laten pissen dan andersom’ – een gezegde van oud-president van de Verenigde Staten Lyndon B.Johnson.

Centrumpartijen moeten zich geen illusies maken over de mogelijkheid deze partijen electoraal te marginaliseren door ze in de macht te laten delen. Het is een misvatting dat regeringsdeelname een middel is om radicale partijen te temmen. De voorbeelden in de landen om ons heen tonen aan dat radicaal rechtse partijen ook als regeringspartij blijven groeien. Dat geldt niet alleen voor de Deense Volkspartij, die een minderheidsregering steunt, maar ook voor de Italiaanse Lega Nord en de Zwitserse SVP. De verwachte electorale schade is voor deze partijen uitgebleven. Alleen als rechts radicale partijen intern hun zaken niet op orde hebben, blijkt regeringsdeelname slecht uit te pakken. Het kortdurende en desastreuze experiment van de LPF is daar een voorbeeld van. In dat opzicht is het zeker voor een jonge partij als de PVV gunstig dat er nog geen ministers geleverd hoeven te worden en dat er tijd is om de interne organisatie te versterken.

Een andere illusie is dat radicaal rechtse partijen op eigen terrein verslagen kunnen worden door hun standpunten over immigratie en de islam over te nemen. Het blijkt zelfs voor sterkere coalitiepartners een lastige opgave om zich deze thema’s toe te eigenen. In Oostenrijk leek het de conservatieve coalitiepartner aanvankelijk te lukken om de FPÖ te overtroeven, maar radicaal rechts is daar inmiddels electoraal sterker dan ooit. In Italië laat Berlusconi dit terrein wijselijk over aan de Lega Nord. Uitzondering is Frankrijk, waar Sarkozy wel succesvol was tegenover het Front National, maar daar is geen sprake van samenwerking en het FN was al verzwakt na 2002. Telkens weer blijkt dat kiezers die zich bedreigd voelen door immigranten en ontevreden zijn over de gevestigde politiek liever het origineel te hebben dan de kopie.

Radicaal rechtse partijen blijken ook als ze in de regering zitten retorisch moeilijk aan banden te leggen. Het is een illusie dat ze zich verantwoordelijk zullen gedragen. De Lega Nord genereert ook als regeringspartij onverminderd veel publiciteit met acties zoals het besprenkelen van bouwlocaties voor moskeeën met varkensurine of zogenaamde ‘witte Kerst-acties’ tegen illegalen. De Zwitserse SVP voerde geruchtmakende campagnes met posters waarop zwarte schapen door witte schapen het land uitgeschopt werden. De partij wilde onderstrepen dat criminele immigranten en hun familieleden het land uitgezet moesten worden. Deze partijen blijken dus prima in staat om hun imago van politieke buitenstaander te handhaven, zelfs als ze volwaardig delen in de macht. Ook in dat opzicht moeten VVD en CDA zich geen illusies maken dat ze de wedstrijd kunnen winnen. De buitenlandse voorbeelden laten zien dat de radicale partijen zich niet de mond laten snoeren.