'Kom, zing eens wat', zei mijn vader

Rikus Offerhaus (1916) groeide op in een Fries dorp. Zijn vader was dominee, vrijzinnig hervormd. ‘We zongen geen psalmen en gezangen, maar uit de Liederschatz van Schubert.’

‘De pastorie was oud. Soms groeide de klimop door de ramen naar binnen. Het plafond in de slaapkamer van mijn ouders was van softboard, en als het regende zakte dat zowat door. Dan prikte mijn vader er een gaatje in en zette er een emmer onder. Wij moesten er wel om lachen.

„Ons Friese dorp had 375 inwoners. ’s Winters was het stil, maar ’s zomers was het levendig. Natuurliefhebbers uit de stad brachten er graag hun vakantie door. Ze huurden een woonboot, en kwamen dan bij ons langs voor koffie en wat aanspraak. Mijn vader was een intellectueel, net als zij.

„Mijn oma woonde bij ons. Ze was de moeder van mijn moeder; die twee konden goed met elkaar overweg. Oma overleed toen ik zeven was. Ik heb geen concrete herinneringen aan haar. Van mijn broer Adri weet ik alleen hoe hij zijn naam schreef: ‘A3’. Heel modern eigenlijk. Adri kreeg de Spaanse griep, en is daar op zijn zevende aan overleden.

„Mijn vader was dominee, vrijzinnig hervormd, net als zijn vader en grootvader. Mijn vaders eerste post was in Noord-Holland. Daar leerde hij een collega kennen, een Brabander met een zus die bij hem woonde om te helpen in de huishouding. Zij had een mooie stem; ze zong soms in de kerk. Ik denk dat dat mijn vader vertederd heeft. Toen ze een baan vond bij een Zwitserse apotheek en daarheen verhuisde, is mijn vader haar gaan halen, en toen zijn ze getrouwd.

„Mijn moeder was nogal stil. Ze vertelde niet veel. Het was lastig om als Brabantse in hartje Friesland te zitten, en ze had in krap negen jaar zes kinderen gekregen. Mij heeft ze niet meer zelf gevoed; ik had een min.

„Mijn moeder bleef wel zingen. Ze begeleidde zichzelf op de piano, en Jo en soms ik zongen met haar mee. Geen psalmen en gezangen; we zongen uit de Liederschatz van Schubert. Mijn vader hield daar ook van. Als er een stil moment was of er was een beetje spanning, dan zei hij: ‘Kom, zing eens wat’. Maar mijn vader was ook vaak weg. Als dominee had hij veel sociale werkzaamheden.

„We baden voor het eten, en er waren bijbels in huis. Die bestudeerde ik niet, hoor. Ik was een beetje een oppervlakkige jongen. Ik was altijd aan het spelen met de jongens uit het dorp. Hoepelen, of krijgertje spelen, of ‘bakkerje’: dan schoot je met ijzeren kogels, op elkaar of op een steen.

„Van mijn broers en zussen trok ik het meeste op met Louis. Zijn roepnaam was Wiet. Wiet en ik deelden een slaapkamer, we speelden samen en we vochten samen. Wiet was wat trager dan ik, en een beetje teruggetrokken. Onze pastorie lag aan het water, en op een dag zag mijn vader de tuinman zenuwachtig langs de wal heen en weer lopen. Toen hij ging kijken wat er aan de hand was, zag hij nog net Wiets hand boven het water uitsteken. Mijn vader heeft hem kunnen redden.

„Ik was goed op school, zonder dat ik er veel moeite voor hoefde te doen. Op de lagere school kon ik een klas overslaan, en omdat ik toen nog te jong was voor het gymnasium ging ik eerst een jaar naar de mulo. Daar was ik weer nummer één. Wiet zakte een keer voor het eindexamen, en zo konden we tegelijk naar Groningen om te studeren: hij theologie, ik medicijnen. We woonden in een ‘ploerterij’, zoals dat heette, bij een gezin dat kamers aan studenten verhuurde.

„In 1936 viel plotseling mijn vader dood neer. Een hartinfarct. Mijn moeder moest weg uit de pastorie en verhuisde naar Haren, en daar voegden Wiet en ik ons ook weer bij haar. Ik ging voortaan met de fiets naar college, maar Wiet studeerde toen eigenlijk niet meer. In ons tweede jaar in Groningen was al duidelijk geworden dat hij problemen had. Hij kreeg waanideeën en leed aan hallucinaties. Hij vervreemdde langzaam van de normale gemeenschap.

„In Haren is Wiet gaan zwerven. Hij liep van huis weg, en werd een keer gearresteerd op de trappen van het koninklijk paleis in Den Haag: hij was boos op koningin Wilhelmina, omdat zij in een toespraak op de radio voor ontwapening had gepleit maar niets deed om de nazi’s tegen te houden. Ten slotte heeft een huisarts hem laten opnemen. Wiet bleek schizofrenie te hebben. Met de jaren is hij wel rustiger geworden, ook dankzij de medicatie. Maar hij heeft de inrichting nooit meer verlaten.”

Hij zit met zijn benen gestrekt voor zich uit op een stoel. Alleen zijn gezicht is beweeglijk; een glimlach breekt gemakkelijk door.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl