'Ik hoef geen bassist meer te zijn'

Jazzbassist Hein van de Geyn verhuist naar Zuid-Afrika. Hij neemt zijn instrument niet mee. „Ik voel de behoefte om even alleen een licht corpulente man van 53 jaar te zijn.”

Hein van de GEYN (1956) Nederlandse bassist en componist. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Dordrecht. 28 augustus 2010

Hein van de Geyn (53) is musicus in hart en nieren. Toch zegt hij de muziek vaarwel. Van de Geyn werkte met vele Europese en Nederlandse jazzmusici, was jaren bassist in bands van Toots Thielemans en Chet Baker, had een eigen platenlabel, Challenge Jazz, en een eigen band, Bassline, schreef een boek over jazzbas en gaf als docent de Rotterdam Jazz Academy vorm. Maar de golfslag aan de kust van Scarborough in Zuid-Afrika lonkt. Dat deed het al sinds zijn burn-out in 2001, toen Van de Geyn zich daar een half jaar terugtrok. Nu bouwt hij er al maanden aan een gastenverblijf. Per oktober vertrekt hij met zijn jonge gezin.

Waarom emigreert U?

„Ik vind het een bevrijdende gedachte dat ik het scenario van mijn leven kan herschrijven. Ik hoef geen bassist te zijn, ik hoef niet in Nederland te wonen. Ik voel de behoefte om even alleen maar een licht corpulente man van 53 jaar te zijn. Niks meer en niks minder. Het perceel naast ons vakantiehuis in Zuid-Afrika kwam te koop. In een opwelling riepen we: we bouwen een gastenverblijf.”

Dergelijke dromen zijn niemand vreemd. U voert ze uit.

„Ik loop al sinds ik ben gestopt met de grote tournees met zangeres Dee Dee Bridgewater met onvrede over mijn leven rond. In die tijd speelde ik overal ter wereld, was twintig dagen per maand op pad en leverde natuurlijk in op mijn vrienden en huwelijk. Halverwege de jaren negentig ben ik les gaan geven, een platenlabel begonnen. Ik werd helemaal opgeslokt. Ik heb veel gezaaid, en de planten blijven maar opkomen. Het woekert door. En dan is er mijn dochtertje. Ik heb voor mijn eerste kind weinig vader kunnen zijn door mijn vele tournees. Die fout ga ik niet nog eens maken.”

Weet u nog wanneer u zich dat realiseerde?

„ ’s Ochtends vroeg op het strand van Scarborough met baby Lulu in de draagzak drong het tot me door: ik vind de buitenkant van het muzikant zijn niet meer zo relevant. Dat vond ik wel een schok. Het was immers altijd het centrum van mijn bestaan.”

Het is nogal een statement: te stoppen als muzikant.

„Vanaf het eerste moment zoek je als muzikant naar mogelijkheden om gezien en gehoord te worden. En te leren vooral. Dat is inherent aan bassist zijn. Maar ik ben nooit een echte bandleader geweest, meer de sideman. Wel leuk hoor, om vooraan te staan, maar vooral omdat die bas dat verdient. Ik begon in 1987 als mager Brabants mannetje met bril bij Chet Baker. Gaandeweg is mijn personality gegroeid, samen met mijn gewicht. Daar kwam veel passie en kennis bij kijken. Ik ben blijven vergaren. En dat is letterlijk aan het lijf gaan zitten. ”

Waarin mist nu de uitdaging?

,,Muziek klinkt tegenwoordig vooral in mijn hoofd. Ik ben die strijd met dat instrument zo lang aangegaan, acht uur per dag. Ik heb daardoor veel over mijzelf geleerd en over de manier waarop ik zo efficiënt mogelijk mijn instrument kon bespelen. Het zijn processen die ik nu allemaal doorlopen heb. Wat blijft erover: een aantal optredens per jaar waarin het scenario zich naar verwachting ontrolt. Hij doet dit, dan doe ik dat. Niks mis mee, maar een herhaling van zetten. En dan is er slechts een handvol muzikale ontmoetingen waarin echt iets gebeurt, chemie op het podium.”

Uw besluit met jazz te stoppen is nogal resoluut. U neemt zelfs uw bas niet mee naar Zuid-Afrika.

Wat jazz spelen betreft ga ik naar een land waar het niveau laag is. Dat trekt me dus niet echt aan. Ga ik dan dagelijks studeren omdat misschien iemand uit Europa me weer belt voor een tour? Het is een logische consequentie: de bas gaat niet mee. Ik heb niet zo’n zin om boem-boem-boem bij de zee te staan. Of steeds maar die bas in een hoekje te zien staan, wachtend tot er op gespeeld wordt.”

Bent u de relatie met uw instrument helemaal kwijt?

„Nee, maar ik ben er niet meer zo romantisch over als vroeger. Het is voor mij niet langer meer een hij of een zij, maar een het. Vier snaren op een houten doos waarop ik geleerd heb mijn muzikale ideeën te laten horen.”

U betekent veel in de jazz. Snapt u de verbaasde reacties om u heen?

„Mensen vinden het shockerend. Hoe kun je als muzikant nou stoppen. Veel oudere musici geven me echter gelijk. Ze herkennen de sleur. Naar Enschede reizen voor twee sets. De mensen klappen voor een encore. En we gaan weer naar huis. Jongeren snappen het niet. En ik zou dertig jaar terug ook gezegd hebben: spelen is ademhalen. Maar dat is romantiek. Ik zal vooral de kameraadschap met musici missen. In mijn guesthouse zet ik alle deuren open.”

Krijgt muziek nog een plaats in uw nieuw leven?

„Op een andere manier. Wij willen gaan leven van onze verhuur, maar ik zie me ook nog wel masterclasses aan de universiteit van Kaapstad. Het zou ook kunnen dat ik als een razende ga componeren. De nieuwsgierigheid en de kennis gaan niet weg.”

Nog even en u bouwt weer een podium, net als in uw huis in Dordrecht.

„Eerlijk gezegd bestaan daar al plannen voor, een muziekkelder inclusief vleugel en drumstel. Ik ben nu vooral benieuwd wat er gebeurt met de vorm van al die muzikale kennis, kunde en inzichten.”

U bent met uw bas altijd een soort kameleon geweest, een ideale sideman die zich aanpast aan de groep.

„Ja. Nooit het type muzikant dat een eigen stempel moet drukken. Daarvoor verschiet ik te snel van kleur. In mijn eigen band kon ik meer van mijzelf kwijt. Of in het klein: in duo, dan ben ik ook in mijn element.”

In welke stijl binnen de jazz voelde u zich altijd het meest thuis?

„Europese jazz die in z’n ritmiek niet zozeer naar swing zoekt, maar naar flow. De melodie is expliciet en esthetisch. Veel kleuren. En de chocola van de walkin’ bass.”

Wat kon u kwijt in internationale tournees met grote jazznamen?

„Spelen met iemand als Johnny Griffin is een bevestiging van je kwaliteit. Een jongensdroom, je mag de geschiedenis even aanraken als Brabander. Maar hoe langer die lijst werd met hotshots hoe minder het me ging doen. Ik speelde vaak intenser met Nederlandse jongens.”

En het reizen?

,,In het begin was alles geweldig. Concerten in Nice met een nachtduik in zee, zwemmend tussen de lichtgevende algen. Toen voelde ik groot geluk. En zeker, met Dee Dee logeerde we in chique hotels. Maar ik ben ook vaak op plaatsen beland dat ik dacht: waar zijn we? Rijdend in kapotte busjes zonder verwarming. Shabby hotels. Lange wachttijden op vliegvelden. Elkaar irriterende musici. Dat je denkt: was ik maar thuis.”

Uw conservatoriumstudenten dromen nog van die romantiek.

„En laat ze dat alsjeblieft allemaal meemaken. Dat wordt wel eens vergeten in het muziekonderwijs. Men wil hen doen realiseren dat ze een gemengde beroepspraktijk zullen hebben, met naast spelen het lesgeven, de boekhouding en de verloningen. Het gaat zo snel over beperkingen. In mijn lessen wilde ik daar de eerste jaren niet over hebben. Laat ze dromen van Carnegie Hall. De beste worden. Iemand moet het daar doen straks.”

Was dat ook uw droom?

„Ik had zelf vroeger een redelijk overspannen beeld van mijzelf. Ik was toch zeker de beste bassist van Tilburg en trok vol zelfvertrouwen naar Amerika. Ja, ik ben uiteindelijk beland in Carnegie Hall, en in legendarische jazzclubs als The Village Vanguard.”

U heeft veel mensen in het zadel geholpen als producer en docent.

„Klopt. Ik gaf er altijd veel van mijzelf bij weg. Laatst bij workshops in Zuid-Frankrijk wilde een jonge student weer alles van me weten. Normaal gesproken had ik hem thuis uitgenodigd. Pak de trein en blijf een paar dagen. Foie gras en wijn. Nu zei ik eens nee. Dat was koud, maar wel heel bevrijdend.”

Wat voor maatstaf hanteert U bij het beoordelen van muziek.

„Het is een onderbuikgevoel. Ik stel me altijd voor dat ik op een vreemd festival loop. Wat maakt dat ik blijf hangen in dat zaaltje bij die musicus? Dat de muziek me raakt.”

Wat was het belangrijkste dat u uw studenten heeft willen meegeven?

„Probeer je noten te koppelen aan jezelf. Zeg iets. Expliciet zeg ik: je moet kennis en techniek hebben. Ik houd niet van lelijk spel. Maar het moet groeien, je kunt een twintiger niet meteen de diepte in laten gaan. Alles moet zich nog verbinden. En als ik dan ogen zie schitteren van begrip. Dat is heerlijk.”