'Ik denk, dus ik ben PVV'

PVV-Kamerlid Martin Bosma, speechschrijver en souffleur van Geert Wilders, ziet zichzelf als politicus én zendeling. De zendeling twijfelt nooit, de politicus soms. Zoals destijds over de film Fitna. ‘Het had mis kunnen lopen met de partij.’

Het lichaam van de neergeschoten en neergestoken Theo van Gogh Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 041102

Een portret van Ronald Reagan, de Israëlische vlag, een door collega Fleur Agema geschonken zweepje, een kaart van Groot Nederland – met Vlaanderen. Hier werkt en denkt PVV’er van het eerste uur Martin Bosma, oud-journalist, nu souffleur van Geert Wilders en Tweede Kamerlid.

Hoor je Wilders, dan hoor je Bosma, al spreekt de speechschrijver aanzienlijk sneller dan de partijleider. Bosma is een spraakwaterval. Hij gunt ons zelfs geen tijd voor een eerste vraag over zijn leven. „Where did it all go wrong?” roept hij aan de andere kant van de tafel in zijn werkkamer in de Tweede Kamer. „Die vraag krijg ik altijd.”

De 46-jarige Bosma opereert doorgaans in de schaduw van de partijleider. Hij treedt daar nu uit omdat hij een boek heeft geschreven, 376 pagina’s dik: De schijn-élite van de valsemunters, een titel die Bosma ontleende aan het werk van zijn intellectuele held, de sociaal-democratische denker Jacques de Kadt (1897-1988). De ondertitel toont iets van de polemische stijl die Bosma hanteert: Drees, extreem rechts, de sixties, nuttige idioten, Groep Wilders en ik.

Bosma’s laconieke stijl wekt soms de indruk dat voor hem alles scherts is, dat zijn opvattingen bedoeld zijn als provocatie. Toch is het boek daarvoor te serieus van opzet, drammerig bijna. En hoe goedlachs hij ook is, uit twee uitvoerige gesprekken met het PVV-Kamerlid blijkt ook dat het hem ernst is. Kern van het verhaal: Nederland is in oorlog met de islam die de Nederlandse cultuur en samenleving wil overnemen. Het is niet gezegd dat Nederland wint, meent Bosma, omdat de vaderlandse politieke elite na de klap van de „marxistische mallemolen” in ’68 net zo blind is geraakt voor de gevaren van de islam, als ze in de jaren dertig was voor het nationaal-socialisme en, later, voor het communisme.

Bosma schreef zijn boek om deze gedachte te onderbouwen. Maar ook, zo bevestigt hij, om te laten zien dat PVV-politici geen „tokkiepopulisten” zijn – het woord is van hemzelf. „Cogito ergo PVV”, grapt Bosma erover: Ik denk dus ik ben PVV.

Opvallend is dat dit denken zich lange tijd ontwikkelde in de omgeving van de linkse elite waar Bosma zich zo fel tegen afzet. Niet alleen aan universiteiten en in zijn Amsterdamse stamkroeg De Pels, een „links intellectueel praatcafé” middenin de grachtengordel, zelfs in de relationele sfeer: Bosma ging enige tijd met het voormalige PvdA-Kamerlid Marjet van Zuijlen. Ook was Bosma directeur van Colorful Radio, een radiostation van ondernemer Erik de Vlieger die multiculturaliteit propageerde met muziek. „Nee, gewoon een R&B-zender”, glimlacht hij nu.

U komt uit een links milieu. Hoe bent u aan uw rechtse inzichten gekomen?

„Eigenlijk al toen ik studeerde in Amerika. Je moet je voorstellen: ik deed eerst politicologie aan de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Een extreem-linkse omgeving, op het karikaturale af. Alle boeken die we lazen waren variaties op Marx. Ik stelde daar al wel mijn vraagtekens bij, want ik was fel anticommunist. Later, in mijn tijd aan een Amerikaanse universiteit, ontdekte ik auteurs die mijn tegenstand ook goed bleken te onderbouwen. Die niet zomaar wat riepen, maar die intellectuele grounding hadden. En dan was er natuurlijk de Rushdie-affaire. Die hakte er stevig in. 1989. Voor het eerst dat de islam echt in your face kwam. Later natuurlijk elf september. En toen Theo van Gogh.”

In het boek zet u uw tegenstanders weg als idioten. Bereikt u daarmee niet het tegenovergestelde van wat u beoogt?

„Dat is de eeuwige discussie. Maar ik kies voor helderheid. Neem de analogie met het communisme en het nationaal-socialisme: daarin meegaan, heeft ons niet veel goeds gebracht. De enige mensen die door de geschiedenis zijn vrijgesproken, zijn zij die zich rücksichtslos hebben uitgesproken tegen. Nu geldt hetzelfde: ik zie niet hoe je zoete broodjes kunt bakken met de islam. Dat zie ik gewoon niet. Bovendien, zekerheid en missiedrang, dat is de zendeling toch eigen? Die zegt: I’ve got the book! Ben je helder, dan denken mensen misschien: shit ja, zo is het. Hij heeft gelijk. Tegelijk is de ongestelde vraag van dit boek: wie is hier nu eigenlijk de extremist? Het antwoord is: niet wij, maar de multiculturalisten. De PVV staat juist in een burgerlijke, ouderwetse traditie, die zich ook uitte in de vragen die Willem Drees jr. begin jaren zeventig stelde over de massa-immigratie. En die je ook vindt bij Snouck Hurgronje, Winston Churchill, Elias Canetti en noem maar op.”

Maar Drees had het toch niet over de islam? Zij wezen op de mogelijk ontwrichtende werking van grootschalige immigratie.

„Dat klopt. Dat ging niet over de islam.”

Een cruciaal verschil toch?

„Tuurlijk. Ik zal niet zeggen dat Drees met terugwerkende kracht een PVV’er is. Maar het gaat erom dat wij niet in de marge zitten, zoals vaak wordt beweerd. Wij huldigen opvallend veel meerderheidsstandpunten.”

Daar legt u ook de nadruk op in het boek. Kwesties die de PVV nu juist controversieel maken, als de kopvoddentaks en legertroepen naar Gouda sturen, die roert u nauwelijks aan. Nooit bang dat dit soort extreme plannen potentiële aanhang wegjaagt?

„Nee. Nooit. Dat woord, kopvoddentaks, was goed: omdat het laat zien dat het onderwerp ons ernst is. Denigrerend? Dat ga ik niet ontkennen.”

Maar jullie willen uiteindelijk niet een gedoogpartij, maar een serieuze regeringspartij zijn. Lukt dat zo?

„Je bedoelt: voluit op het orgel? Daar bestaat een spanning, dat is waar. Wij zijn politici, maar ook zendelingen. Twee zielen in één borst, ik ben de eerste om dat toe te geven. We willen niet alleen in het hier en nu dingen regelen, maar voelen ook de burgerplicht de openbare mening te veranderen. Neem Fitna. Ik heb daar avonden met Geert over gesproken. Er is ook een moment geweest dat we hebben gedacht: moet het wel?”

Ook zonder uitzending hadden jullie je punt al gemaakt?

„Een film die je maakt, wil je ook uitbrengen. Maar het had mis kunnen lopen met de partij. Door alle ophef. Als de landsadvocaat uitzoekt of een film verboden kan worden, in strijd met de Grondwet overigens, maar als dat speelt, dan vraag je je wel af of dat niet het voortbestaan van de hele operatie zal schaden.”

Was u werkelijk bang voor een verbod op de partij?

„Niet één op één. Maar realiseer je wel: terwijl Geert op zijn vrije avonden een filmpje in elkaar zette, bemoeide de baas van de VN zich ermee. Met allerlei incidenten had het heel anders kunnen uitpakken.”

U schijft: moslims kunnen zich wel voordoen als gematigd, maar je weet het nooit: ze kunnen jokken. Wordt het niet erg lastig als je zelfs intenties van moslims in twijfel trekt?

„In de islam bestaat het fenomeen taqiyya. Voor zowel shi’ieten als sunnieten geldt de opdracht – niet alleen de mogelijkheid, maar echt de opdracht – om je ware bedoelingen te verdoezelen. Zoals Al-Qaradawi zegt: je moet jezelf voordoen als liberale moslim, om zo in het geheim te werken aan de invoering van de Shari’a. En Qaradawi is niet de eerste de beste. Hij is de belangrijkste, levende islamitische denker. Die zegt dus gewoon: je moet je voordoen als liberale moslim, om zo op posities te komen dat je de grondvesten kunt leggen voor de invoering van de sharia.”

Dus een islamitische vriend die zegt: ik ben gematigd. Die moet ik niet geloven?

„Ik zeg niet dat álle moslims hun ware intenties verhullen. Ik leg uit: de islam kent een gebod aan gelovigen om op jihad te gaan: een gewelddadige, collectieve oorlog om ervoor te zorgen dat de islam de wereld onderwerpt. Dat staat letterlijk in de Koran. Het is een groot geluk dat lang niet iedere moslim dat weet. Met taqiyya precies hetzelfde. Het is pure mazzel dat veel moslims dat helemaal niet weten. Daarom kun je nooit zeggen: álle moslims. Daar zou ik me ook niet senang bij voelen.”

Heeft u een moslim in uw vriendenkring?

„Nee.”

Die zou u ook niet kunnen hebben?

„Dat is niet een kwestie van kunnen. Ik heb toevallig nooit een moslim ontmoet met wie ik vriendschappelijke banden heb opgebouwd. Nogmaals, wij hebben niks tegen moslims, het probleem is de islam.”

Maar u vertrouwt ze niet, moslims?

„Dat vind ik moeilijk zo te zeggen. De Turkse kapper door wie ik me onlangs heb laten knippen, die weet helemaal niet wat sharia is, laat staan taqiyya. Voor hem ben ik niet bang. Maar de kern van de zaak is: een gematigde islam bestaat niet. De islam kan ook niet liberaliseren, omdat de uitgangspunten fundamentalistisch zijn. De woorden in de Koran zijn door God gegeven. Niets aan te doen. Je kunt niet met die tekst redetwisten, zoals christenen en joden doen met hun heilige teksten. Je kunt niet zeggen over soera 9:5 ‘dood de ongelovigen waar je ze vindt’: ja, dat staat er wel, maar dat moet je niet te letterlijk nemen. Als een moslim dat probeert te zeggen, krijgt hij direct terug: weet jij het beter dan Allah? Nou, dat is een kort gesprek.”

Als moslims de Koran letterlijk zouden nemen, zou in het Midden-Oosten nu een slavenstelsel bestaan.

„Ga kijken in Soedan, Mauretanië. En ga kijken hoe de islam tegen Israël aan kijkt, als slaven die in opstand zijn.”

Het hele Midden-Oosten leeft toch niet naar de letter van de Koran?

„Maar zij die dat niet doen, hebben geen sterk verhaal tegen hen die dat wel doen. Hoe komt het dat in veel islamitische landen de getuigenis van een ongelovige niets waard is? Dat staat in de Koran.”

U neemt de uitgangspunten van de islam serieuzer dan menig moslim.

„Een moslim die de uitgangspunten niet serieus neemt, staat direct buiten de traditie. Daarom is het belangrijk de ernst van hun ideologie te begrijpen. En denk niet: ‘ach, het is een godsdienst en in de Bijbel staan ook gekke dingen’. Dat is een hele gevaarlijke gedachte. Of zoals Cohen, die zegt: er is een liberale variant van het christendom, dus is die er ook wel van de islam. Dat is een wensdroom, een roze, gevaarlijke wensdroom.”

U leeft in grote zekerheid, twijfelt u nooit?

„Ik hoop niet dat het de kop van dit interview wordt, maar nee, ik twijfel niet. Ik vind dat wij gelijk hebben. Anders had ik me in 2004 nooit aangesloten bij een man die uit de VVD stapte en een goed verhaal had, maar verder ook helemaal niets. Ik wist: als dit mislukt, kom ik nooit meer aan de bak in de journalistiek. Dan doe je het toch alleen als je overtuigd bent van je gelijk?”

Met Bosma als campagneleider won de PVV de verkiezingen. Met Wilders koos hij voor een beperkte campagne: enkele keren de straat op, relatief weinig interviews. De gedachte daarachter, zo legt hij uit: als de omstandigheden de mensen voortdurend op je gelijk wijzen, hoef je niet dag en nacht in de media. Zolang maar bekend is waar de PVV staat. En met die omstandigheden zat het wel goed, schatte Bosma in. „Tijdens het lijsttrekkersdebat in Carré begon Geert over de islam en kreeg hij hoongelach van het publiek. Toen wist ik: we gaan een geweldig resultaat halen. De elite liet weer eens zien het nog steeds niet te snappen.”

En nu wordt de PVV salonfähig?

„Nou, de bediening op een terras in Den Haag weigert nog altijd mijn collega Fritsma een cappuccino te schenken. Toch is er veel veranderd de laatste tijd. Dat ligt onder meer aan het proces tegen Geert. Dat heeft ons meer in de mainstream gebracht. Want ook in gevestigde kringen hoorde je direct al kritiek op de vervolging. Tegelijk helpen die 24 zetels. Neem iemand als Ronald Plasterk. De eerste jaren hier wilde hij mij nauwelijks te woord staan, nu leent hij een boek over de islam van me. Vriendelijkheid troef.”

Toen u bij Wilders aan de slag ging, vroeg u zich af: kan ik ooit nog gewoon een biertje drinken in uw stamcafé. En? Kan het?

„Ja, dat kan nog gewoon. Het zou ook wel raar zijn als je bij de drempel geweigerd wordt. Natuurlijk, er zijn wel mensen die je iets anders aankijken. En bij sommigen vermijd je het onderwerp.”

Het gebeurt nooit dat iemand roept: ‘Hé, daar is die fascist van de PVV!’

„Nee, nee, en als dat gebeurt, roep ik: neem er eentje van mij.”

Dat klinkt sympathiek, maar de PVV schermt zich vaak van andersdenkenden af.

„Van bepaalde media. Als je legitieme redenen hebt om beducht te zijn voor een bepaalde krant, dan moet je die toch kunnen weren op je bijeenkomsten? Bovendien, veel media willen ons pootje lichten. Een journalist die ons omver krijgt, is binnen. Die kan zo hoofdredacteur worden. Daarom zijn we voorzichtig.”

Over zijn gezin wil hij niet praten, dat heeft hij thuis zo beloofd. Zijn vrouw wil niet bekendstaan als PVV’er. Ze is bang voor reacties. Maar er komt een dag, zegt Bosma, dat hij zich niet langer hoeft te verantwoorden. Het gelijk zal zijn kant opkomen. „Onze kleinkinderen zullen de aanstichters van de multiculturele samenleving met dedain overladen.” 

We leggen hem voor dat een van onze dochters een Marokkaans vriendinnetje van tien jaar heeft. Zij is bang voor Wilders. Wat zegt Bosma tegen haar? Fel: „Vraag maar eens aan dat Marokkaanse meisje hoe ze thuis bij haar praten over joden, hoe ze denken over Israël, vraag maar, of ze de Holocaust erkennen. Vraag maar.”

Dan, rustiger: „Ik vind het vervelend voor dat meisje. Jullie wekken de indruk dat je dat wilt horen. Maar, nogmaals We didn’t start the fire!”