Iedereen aan boord van de 'QE2'

Gejuich op de valutamarkten eerder deze week. Federal Reserve-baas Ben Bernanke zei wat financiële markten wilden horen. Als de economie tegen blijft vallen, zal hij er alles aan doen om haar er weer bovenop te helpen. In de praktijk werd dat vertaald als: de Fed zet de geldpers weer aan! Is het niet nu, dan zeker na de tussentijdse verkiezingen in november.

Daarmee kregen zakenbanken als Goldman Sachs en vermogensbeheerders als BlackRock hun zin. Zij tamboereren al weken op het revitaliseren van het programma van de zogenoemde quantitative easing. ‘QE2’, zoals die stap al gedoopt is – een onbedoelde verwijzing naar het luxe cruiseschip Queen Elizabeth 2’ – is volgens hen het enige middel om de Amerikaanse economie nog te redden. Wat ze er niet bij zeggen, is dat het vooral zij zelf zijn die daar het meest van profiteren, en niet zozeer de reële economie.

Want als één ding duidelijk is na drie jaar crisis, dan is het dat de combinatie van extreem lage rente, ruim monetair beleid en soepel begrotingsbeleid geen garantie zijn geweest om de economie weer aan de praat te krijgen. De verleiding is dan ook groot om er een schepje bovenop te gooien. Maar is dat verstandig? Er staat namelijk een dusdanig harde tegenwind, dat het beter lijkt het eind van de storm rustig af te wachten in plaats van energie te verspillen.

Enkele weken geleden presenteerde het economen-echtpaar Carmen en Vincent Reinhart op de centrale bankierstop in Jackson Hole een studie naar de langetermijngevolgen van crises. De Reinhartjes constateerden op basis van empirisch onderzoek dat een recessie veroorzaakt door een financiële crisis langer doorettert dan een ‘normale’ recessie. Daar valt bijna niet tegenop te stimuleren, die moet je uitzitten.

Hun conclusie wordt ondersteund door een al eerder verschenen McKinsey-onderzoek naar de invloed van schulden op het groeiherstel. Dat concludeerde dat westerse economieën de afgelopen jaren overladen waren geraakt met publieke én private schulden. Die moeten eerst terug naar normale niveaus (de zogenoemde deleveraging) voordat van normale groei sprake kon zijn.

Die schuldenafbouw is pas net begonnen. Amerikaanse gezinnen hebben gemiddeld 120 procent van hun beschikbaar inkomen aan schuld, voor de crisis was dat 130 procent. Maar het is nog lang niet terug op de 66 procent die het gemiddeld was in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Voor overheden geldt dat eigenlijk nog in versterkte mate. Zolang de schuldenlast zo hoog is, kan Bernanke beter de hand op de knip houden. Als hij tenminste niet het verwijt wil krijgen dat QE2 alleen een aantrekkelijke tripje voor de banken blijft.

Egbert Kalse