Houd overstromingen in de hand met de overlaten

Wim Kuijken merkt terecht op dat als je nu een dijk bouwt, je over vijftig jaar terug moet om hem te versterken (NRC Handelsblad, 22 september). Zijn advies om bij de rivieren meer ruimte te maken wordt door de interviewer bestempeld als „een oud plan voor noodoverloopgebieden: bewoonde gebieden die in nood onder water kunnen worden gezet”. Kuijken noemt dat terecht een fout woord, hij noemt het een Haags plan, maar komt er verder niet uit.

Wellicht kan de historie hem helpen. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw was men technisch niet in staat om rivierdijken van voldoende kaliber te bouwen. Omdat overstromingen daardoor te voorzien waren, koos men voor het in de hand houden daarvan: de overlaten. Tot de overlaat werd behalve de coupure in de dijk, waar het water bewust werd toegelaten in het achterland, ook de gehele tijdelijke stroombedding voor dat water gerekend, die met hier en daar een hulpwerk was ingericht en waarlangs het water verder stroomafwaarts weer in de oorspronkelijke rivierbedding terugstroomde. Deze gebieden waren echter niet bewoond, hoewel er landbouw en veeteelt werd bedreven.

Eén en ander werd zeer efficiënt geregeld door de Rivierenwet, die met vooruitziende blik rond de laatste eeuwwisseling is afgeschaft. Inmiddels zijn door ondoordachte rivierregulering en verharding bovenstrooms onevenredig hoge pieken in de waterhoogte te verwachten, even onregelmatig als zeker. Alleen tegen onzinnig hoge kosten en met veel verwoesting van landschap zijn daar dijken tegen te bouwen.

Het opnieuw inrichten van overlaten is, zelfs met de onteigeningskosten van de bewoners meegerekend, de doelmatigste, snelste en goedkoopste oplossing die daar thans tegen genomen kan worden.

O.L.E. Jongmans

Wateringen